Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

landbouwgereedschappen en andere werktuigen wel doet, om hun effectieve waarde te verhoogen. *) Deze» wijze van doen herinnert aan het op p. 57 bedoelde „broeden" van paarlen, door ze in een doosje met wat kleefrijstkorrels gesloten te bewaren.

Dat de moestika's als met magische krachten toebedeelde dingen worden beschouwd, blijkt ook hieruit, dat ze soms worden aangetroffen onder de, overal in den Archipel als fetischen vereerde „rijkssieraden", erfstukken van vorsten, waaraan dezen feitelijk hun gezag ontleenen. Zoo kwam een soort „steenachtige verharding van een draak" voor onder de rijkssieraden van Gowa. 2) Een paar moestika's, afkomstig van den eersten radja der XII Kota, en later behoorende tot de „kabesaran's" van den Toeankoe van Pesimpai vindt men afgebeeld op plaat 31 van den ethnographischen atlas der Sumatra-expeditie (1877—1879). De Toeankoe, die deze voorwerpen met passenden eerbied- (men leze het verhaal van al den omslag waarmede dit geschiedde!) aan de leden der expeditie toonde, Vertelde er bij, dat zulke mantiko's werden gevonden in den kop van een vogel, of visch, of ontstaan uit het schuim van rivieren,3) Wilkinson gewaagt in zijn groot „Malay-English Dictionary" (i.v. mestika) van zulk een voorwerp uit dauw (mestika emboen), voorkomende onder de regalia van Perak, welke hij aldus omschrijft: ,M is a sphere of crystal-glass rather smaller than a billiard ball but dates back to a time when such an object would have seemed of miraculous origin."4)

Hoewel het geloei in de moestika's overal in den Archipel voorkomt, worden zij volgens Rumphius toch nergens zoo veelvuldig aangetroffen als op Celebes en de daaromheen gelegen eilander, „zijnde zulks buiten twijfel een eigene natuur van die landen, dat

1) G. E. Rumphius, ta.p., blz. 307; Dr. A. C Kruyt, t.a.p., blz. 158 vg.; H. A. van Hien, ta.p., blz. 24; W. W. Skeat, ta.p„ blz. 275.

2) Dr. B. F. Matthes in Bijdragen T. L. en Vk., Rks. 4, dl. 10, 1885. p. 460 nt.

3) A. L. van Hasselt, Volksbeschrijving van Midden-Sumatra, 1882, p. 86 vg.

4) G. Maan noemt onder de straks nog te bespreken Makassaarsche koelaoe's ook die van den dauw (koetaoe naninring) (Tijdschrift Bat. Gen., dl. 46, 1903, p. 327). Het geloof, dat ook de dauw zich kan versteenen is van antieken datum. De Arabische auteur lkhwüh al-Cafa~ schrijft o.a.: Ook zijn er mineralen, die te zamen geronnen dauw zijn, zooals barnsteen en bezoar. De barnsteen (hier zal wel amber bedoeld zijn) is n.1. niets dan dauw, die op de oppervlakte van de zee valt en zich dan op bepaalde plaatsen, en op bepaalde tijden verhardt. Evenzoo is de bezoar niets dan dauw, welke op eenige steensoorten valt, zich daar binnen dringt en dan verhardt (Dr. H. Fühner ta.p. blz. 320).

Sluiten