Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in de dieren en planten meer steenzap uit haar voetsel aangetrokken word dan op andere plaatzen." 1) Deze conclusie voor rekening van den schrijver latende, moeten we volledigheidshalve toch nog even herinneren aan een belangrijke groep steenachtige amuletten aan die eilanden eigen, die Rumphius niet noemt, maar die geheel met de moestika's overeenkomen. We bedoelen die voorwerpen, welke bij de Makassaren als koelaoe, bij de Boegineezen als oe/awoe, en bij de Toradja's als kilowoe bekend staan.

Dr. B. F. Matthes somt een 25-tal soorten van oelawoe's op, met vermelding hunner vermeende bovennatuurlijke eigenschappen. Wanneer men dit lijstje inziet, zou men zoo zeggen, dat den Boeginees, overal waar hij hulp noodig kan hebben, een oelawoe ten dienste staat. Vele dier oelawoe's zijn oude bekenden, die we reeds onder de moestika's aantroffen, zooals die uit bamboe (oelawoe awo koerisa), uit een slang (o. oela), uit de rijst (o. barra), uit een klapperkiem (o. toewo kaloekoe), uit een mensch (o. taoe), uit èen melatiebloem (o. boenga poete), uit een koffieboon (o. kawa), uit een tamarindepit (o. batoe tjampa). uit een duizendpoot (o. balipang), uit een boomstam (o.pipi).

Andere schijnen zoo phantastisch, dat ze aan elke poging, om er zich een redelijke voorstelling van te maken, ontsnappen. Wat heeft men bijv. te denken van een oelawoe van een draak (o. naga) van de zon (o. asso), van de maan (o. ketang), en dergelijke meer? Zijn deze voorwerpen slechts producten der volksverbeelding, spelingen eener ongebreidelde Oostersche phantasie? Zonder nadere commentaar zijn deze vragen natuurlijk slechts schouderophalend te beantwoorden. Voorshands lijkt het aangewezen aan die namen niet te veel waarde te hechten. Evenals onze „slangentongen", „paddensteenen", „zwaluwsteenen", „zeekoesteenen", enz. niets hadden uit te staan met de dieren, naar welke zij genoemd zijn, zoo zal bij nader onderzoek ook wel blijken dat de aard en de afkomst der oelawoe's vaak niet in het minste verband staan met de namen, welke zij dragen.

Hierboven werd reeds opgemerkt, dat eigenschappen als: hardheid, zeldzaamheid, enz. (bij voorwerpen), en dapperheid, voornaamheid, ouderdom, enz. (bij menschen) bij den nog animistisch denkenden Indonesiër gelden als kenmerken van veel „levenskracht", en dat de moestika's, als zijnde de concentratie van die

') G. E. Rumphius, t.a.p., blz. 292.

Sluiten