Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(Afb. 11) welker vroegere idyllische omgeving beroofd werd van vele boomen, zou toch met goeden wil, als een overblijfsel uit een oude cultuurperiode, nog geruimen tijd gespaard kunnen worden als' woning voor een of ander havenbeambte.

Bij menigeen zou meer waardeering gewekt worden voor al de knappe ingenieurswerken der laatste jaren, indien die werken beter aansloten bij eene passende omgeving of, wanneer bestaande landelijke schoonheid bij de uitvoering der plannen beter tot haar recht kwam en meer geëerbiedigd werd.

Nu lijkt het veelal of zij, die deze werken tot stand brachten, geen besef er van hebben, dat een goede entourage een element van waarde is en hun technisch werk verhoogt.

In dit zesde boekje heb ik dus getracht, nog intijds te wijzen op de groote bekoring, die van het intieme landschapsschoon uitgaat, op het vele belangrijks aan herinneringen, zoowel op historisch gebied als op dat der oude, rustieke bouwkunst, welke de omgeving van Rotterdam in west-IJselmonde zoo bijzonder interessant maken.

Aangezien van dat alles bij de uitvoering der toekomstige groote havenplannen onder Pernis weer veel zal moeten verdwijnen, is het niet overbodig de hoop uit te spreken, dat noodelooze schending door mijne beschouwingen verhoed moge worden, en dat die blijde schoonheid en dat cultureel bezit, resultaten van hetgeen eensdeels de natuur en anderdeels geslachten na geslachten vermochten tot stand te brengen, meer dan ooit ontzien zullen worden.

Wanneer dit niet te verwezenlijken mocht zijn, dan is het in ieder geval- plicht, zorg te dragen voor eene gelijktijdige, behoorlijke compensatie, opdat men niet jaren en jaren achtereen een duffe, eentonige, ja ongenietbare omgeving te zien krijge.

Ik ben er mij volkomen van bewust, in mijn slotwoord in herhalingen te zijn vervallen. Daarvoor vraag ik niet om verschooning. Het is immers volstrekt niet zeker, dat degenen, die naar ik hoop dit boekje zullen lezen, ook kennis genomen hebben van mijn vorige werkjes, waarin ik op hetzelfde heb aangedrongen en al ware dit zoo, dan ben ik nochtans van meening, dat de pleitrede voor het behoud van schilderachtige landelijke en bouwkundige schoonheid van vroegere tijden niet dikwijls genoeg kan worden uitgesproken.

J. VERHEUL Dzn.

Sluiten