Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN PEL GRIM OP AARDE

NORBERT.

Hoe, vader, als de stormwind door de twijgen Jagend, den boom die boom is overstemt...?

KUNO.

Dit is een beeld, want gij zijt mensch geboren, Uit vrije wil een vrije onderdaan Van hen, die boven u als meesters staan En naar wier stem gij veiliger zult hooren, Dan naar de fluisteringen van een waan, Waarachter meer een ketter liep verloren ...

NORBERT.

Dan zal ik gaan, tenzij, op deez' Synode, Mijn voeten ook het loopen wordt verboden En zwijgend, als een onderdanig kind, Gaan zoeken naar mijn stem, waar ik haar vind!

KUNO.

Keer weer, mijn zoon, van al te steile wegen, Verlaat den waan voor den beganen grond En dien uw God, waar 't èl is aan gelegen. Meer met uw hart voortaan dan met uw mond.

NORBERT.

Ik diende Hem in eerlijkheid met beiden Maar daar een hart, dat brandt om te belijden. Den mond niet missen kan, zoo zoek ik blind Den Stoel van hem, die hart en mond verbindt...

AANKLAGER. Beroept hij zich als Paulus op den keizer?!

ANDERE.

Laat hem vrij gaan!

2

Sluiten