Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NO„R BERT VAN GENNEP

DE PAUS.

Ik heb een plaats aan mijn kanselarij En in de rangen nog van mijn prelaten;

NORBERT.

Het bisdom Kamerijk schoof ik terzij,

'k Heb de capella van een vorst verlaten

En zoek sinds lang geen bisdom en geen baten —

Maar ben een pelgrim en die gaat voorbij...

DE PAUS.

Gij zoudt de Kerk een grooter dienst bewijzen. Mijn zoon, door u te binden aan één plaats. Dan door de wereld rusdoos af te reizen.

NORBERT.

Maak wat gezond is, vader, niet melaatsch —

En bind mij niet! Ook zult ge mij niet prijzen:

Ik ben een goede looper en zoover een wijze,

Dat hij voor wijzen dwaze dingen doet.

Eén ding slechts weet ik, en dat weet ik goed:

Dat Christus' blijde boodschap is bedroefd

Omdat zij, meer dan zij kan hopen,

In dezen tijd een groote stem behoeft —

En méér dan wijsheid: voeten om te loopen.

Neen, prijs hem niet om wat een dwaze doet

Nóch is 't de tijd op wijsheid veel te roemen

Wanneer het Godsrijk brandt en Christus bloedt;

Wat geeft het dan hoe wij elkander noemen!

Och allen zijn wij wijzen, allen dwazen

En allen zijn wij slecht en allen goed,

Maar als de Geest door onzen geest gaat blazen

Dan wordt het tijd en onze moeheid: moed!

Sluiten