Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NORBERT VAN GENNEP

Norbret! Norbret! je drijft mij uit, Norbret je drijft me binnen. En als ik dra de klokke luid Gaan mijn vespers beginnen. (AF).

EVERMODUS. Het witgevachte volk van Abram wast De wereld in uit de overvolle stallen, Maar iedere stal geeft Abraham zijn last Die meer en meer de dienaar wordt van allen. Zijn aanzien gaat de witte orde voor, Zijn orde draagt zijn groote naam steeds verder; Wie Christus zoekt, gaat veilig in zijn spoor En wie naar 't Leven hongert volgt dién herder ...

EMELRIJK.

Sinds wij hem zage' op weg naar Kamerijk En wij met dertien tot ons stamhuis kwamen,

EVERMODUS. Hoe zoet daaraan te denken, Emelrijk!

EMELRIJK.

Wie kent de broeders en kent al hun namen: In Frankrijk, Henegouwen, bij den Rijn?

EVERMODUS.

Wie telt ze heden en wie telt ze morgen? Doch hoeveel namen er ook mogen zijn. Zoovele zijn voor Norbert ook de zorgen; En méér dan toen hij enkel pelgrim was Gaat hij voorbij — en armer dan voor dezen.

Sluiten