Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

elementen rechtstreeks uit den aanleg van de menschelijke natuur voortkomt.

Nu is 't echter juist het leven-in-een-volksgemeenschap, dat den individueelen mensch de gelegenheid geeft tot de volledige geestelijke en zedelijke ontwikkeling, waartoe de aanleg hem in zijn menigvuldige vermogens gegeven is. Zij schenkt hem van het eerste begin van zijn ontluikende menschelijkheid af de vorming, waardoor hij de vaardigheden van handelen in 't lichamelijke en in 't geestelijke moet verkrijgen, die richting en leiding zullen geven aan het geheel der gedragingen, welke hij krachtens zijn volledige individueele en sociale natuur kan stellen. Voor de bereiking van zijn eigen natuurlijke goed is de mensch dus op de volksgemeenschap aangewezen.

Daar volgt uit, dat hij niet alleen krachtens rechtvaardigheid verplicht is, alles na te laten wat zijn medevolksgenooten de bereiking van hun goed zou kunnen belemmeren en naar vermogen datgene te doen, wat het welzijn van de gemeenschap als geheel kan bevorderen, maar ook dat hij aan zijn gemeenschapsgenooten en aan het geheel, waarin hij met hen leeft, een plicht van dankbaarheid en genegenheid schuldig is, die de kern vormt van de vaderlandsliefde.

Vaderlandsliefde is dus voor ons geen zaak van sentiment, geen bevlieging van aanhankelijkheid jegens 't „dierbaar piekje grond", waar eens onz' wiegen stonden, maar een redelijk gefundeerde habitueele genegenheid tot de gemeenschap, waar wij onze hoogste goederen in de natuurlijke orde voor een groot deel aan danken, tot den staat, die aan onze volksgemeen-

Sluiten