Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wanneer wij ons collectief geweten op 't punt van nationalisme eens onderzochten, zouden er, vrees ik, talrijke tekorten aan den dag treden. Aan vervulling van een stricten plicht van vaderlandsliefde heeft 't bij ons niet ontbroken; we hebben regelmatig onzen dienstplicht vervuld, op geregelde tijden braaf voor het welzijn van de Koningin en haar huis gebeden, en onze penningen geofferd, die van ons voor het algemeen welzijn werden opgeëischt.

Maar heeft de Nederlandsche gedachte voor ons waarlijk een inhoud ? Beseffen we, dat we de ontwikkeling van een zeer groot deel van onze menschelijke vermogens en daarmee de natuurlijke basis van ons levensgeluk aan ons deelgenoot-zijn in de Nederlandsche volksgemeenschap te danken hebben ? Gaat het welzijn van ons volk in zijn nationale eenheid ons ter harte? Voelen we 't als een waarachtigen plicht, mede zorg te dragen voor de politieke, economische en cultureele onafhankelijkheid van ons volk ? Tientallen van jaren hebben we ons eigen onderwijs bekostigd, millioenen hebben we uitgegeven aan allerlei charitatief werk, we hebben ziekenhuizen gebouwd en sanatoria gesticht, en we houden in Nijmegen een haard van eigen cultuur brandende, maar hebben we in evenredigheid ook bijgedragen tot datgene wat de welvaart van ons volk als geheel kon vergrooten of zijn cultuur kon bevorderen? Wat van meer gewicht is: hebben we voldoende, naar hoeveelheid en vermogen, ons best gedaan om die cultuur mee op te bouwen en de volksgenooten, die buiten de Kerk staan, aan onze eigen waarden te doen deelachtig worden ? Hebben ook wij de roeping gevoeld,

Sluiten