Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ruimte, beter bewerkten grond, betere waterverzorging is dikwijls voor den verbouw noodzakelijk. De grootere bruikbaarheid der cultuurgewassen wordt sterk in de hand gewerkt door hun veelvormigheid; de eene tarwesoort is geschikt voor brood, de andere voor macaroni, een derde kan vorst, een vierde warmte verdragen. Deze veelvormigheid van onze cultuurgewassen wordt in de eerste plaats veroorzaakt door het groote aantal na verwante soorten wilde planten, welke aangetroffen worden in de centra, vanwaar onze cultuurgewassen afkomstig zijn en waar ook waarschijnlijk de volken tot cultuur zijn gekomen. Verder weten wij uit de geschiedenis van verschillende gewassen, dat als oorzaak van zulk een variatie ook soortkruising, dus kruising tusschen twee oorspronkelijk wilde soorten moet worden aangezien.

Op dit gebied nu heeft de mensch eerst onbewust, thans met toenemende bewustheid ingegrepen. In den loop der 19e eeuw heeft de wetenschap een deel van den sluier gelicht, die het wezen der erfelijkheid bedekt hield. Men wist reeds lang, dat bepaalde eigenschappen der levende wezens soms niet, soms wel overerfden. Thans neemt men algemeen aan, dat een plant van haar ouders een aantal erffactoren meekrijgt, die men meestal „genen" noemt; de eerste cel, waaruit zich de geheele plant ontwikkelt, heeft deze genen in zich. Het zijn deze erffactoren, die de zich naar buiten manifesteerende eigenschappen der plant bepalen.

De voortplanting der hooger ontwikkelde planten geschiedt geslachtelijk of ongeslachtelijk. In het laatste geval ontstaan uit gedeelten van de moederplant weer zelfstandige, volledige planten. Deze nieuwe planten onderscheiden zich in niets van de oude; haar eigenschappen zijn niet veranderd; er is geen eigenschap afgegaan, noch bijgekomen. Voorbeelden hiervan zijn de aardappel, het suikerriet, de banaan, de wijndruif, vele ooftsoorten. Bij deze gewassen is de normale voortplantingswijze de ongeslachtelijke, meestal vegetatieve genoemd. Dit wil evenwel niet zeggen, dat de geslachtelijke niet mogelijk is, maar zij komt bij deze planten slechts bij uitzondering voor. Alle afzonderlijke planten, door zuiver vegetatieve vermeerdering verkregen, van één individu, noemt men te samen een kloon.

Sluiten