Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK II.

De belangen van den kweeker en het Nederlandsche recht.

In het vorig hoofdstuk konden wij constateeren, dat de samenleving met den arbeid, welke op het gebied van de veredeling van planten verricht is en wordt, ten zeerste gebaat is. Dit is sinds geruimen tijd gevoeld en talrijke stemmen hebben zich verheven om maatregelen te propageeren, ten einde den kweeker voor den arbeid, dien hij verricht een grootere belooning te verschaffen.

De diversiteit der omstandigheden, waaronder de kweekersarbeid plaats vindt, bemoeilijkt evenwel in sterke mate de mogelijkheid om dit vraagstuk een universeele oplossing te geven. De rol van den kweeker is niet bij alle gewassen dezelfde; soms is de kweeker in staat zelf voor zijn belooning te zorgen (fancygewassen); in andere gevallen is het de vraag of hem die belooning toekomt (knopvariaties); in een derde reeks gevallen wenscht hij ze zelfs niet (staatsinstituten) en bovenal is de moeilijkheid, ook in die gevallen waarbij men bijna zeker weet dat zijn belooning niet evenredig zal zijn aan den dienst, dien hij de samenleving bewijst, dat het zeer moeilijk is den vorm te vinden, waaronder hij beloond kan worden en tegelijk de samenleving niet geschaad wordt.

In die gevallen, waarin de kweeker slechts een geringe kans op belooning ziet, zal hij zich meestal van dat terrein terugtrekken; dan neemt, zooals in Zweden, de U.S.A., Rusland, Boelgarije, Uruguay en meerdere andere landen, de staat een taak ter hand, die voor het particuliere initiatief te zwaar bleek. In sommige landen is de veredelingsarbeid voor landbouwgewassen geheel of grootendeels in handen van staatsinstituten of van door staatssubsidies gesteunde instellingen; in andere

Sluiten