Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Octrooiraad zegt in haar „Entscheidung" van 19 Sept. 1932: de „Motive zum Patentgesetz 1877" moeten niet authentisch opgevat worden; de techniek heeft nu vat op gebieden waarop ze dat vroeger niet had; de „Motive" zijn dus nu niet meer „maszgebend für die Auslegung des Gesetzes". En verder: „wenn man eingewendet hat, bei solchen Verfahren beruhe der Erfolg im wesentlichen auf der selbsttatigen Funktion der lebenden Natur, und aus diesem Grunde sei die Patentierung ausgeschlossen, so wird übersehen, worauf Spielmann in der Zeitschrift f. Industrierecht, Bd. 10, S. 145 ff. hinweist, dasz auch sonst der Erfolg mancher Vorgange, bei dessen zweifellos nur Teile der unbelebten Natur eine Rolle spielen, von Verhaltnissen abhangig ist, über die der Mensch nicht Herr ist."

Het Fransche ontwerp van 1924 voor de herziening van de octrooiwet (zie Annales Pataille, 1924, p. 194), verklaart in art. 66 de bepalingen der wet van toepassing op „inventions et découvertes réalisées dans le domaine de 1'agriculture et de 1'horticulture."

Bij ons heeft het arrest van den H.R. van 5 Dec. 1930 x)

*) De voor ons betoog belangrijkste overwegingen van dit arrest zijn de volgende:

0. dat toch het spraakgebruik onderscheidt tusschen landbouw en nijverheid en noch de wet zelve noch haar geschiedenis grond geven om aan te nemen, dat in art. 3 van dit gebruik is afgeweken,

0. dat de Mem. van Toel. inderdaad de uitdrukkingen nijverheid en stoffelijke voortbrenging door elkaar gebruikt, wat aan het Voorl. Verslag aanleiding gaf om te vragen, of de redactie van art. 3 octrooien op het gebied van den landbouw uitsloot, onder opmerking, dat uit de Mem. van Toel. niet bleek van de bedoeling tot zoodanige uitsluiting, en dat, indien zij inderdaad niet bedoeld was, gewenscht ware de redactie van art. 3 te verbeteren, door daarin landbouw naast nijverheid te noemen;

dat de regeering antwoordde, dat de Mem. van Toel., gelijk terecht opgemerkt werd, tot een algemeene uitsluiting van octrooien op het gebied van den landbouw geen aanleiding gaf; dat weliswaar nieuwigheden t.o.v. bodemcultuur en van veeteelt, waarbij de uitkomsten minder dan bij de nijverheid van den menschelijken wil afhankelijk zijn, veelal niet als uitvindingen kunnen worden aangemerkt, maar dat de nijverheid telkens op het gebied van den landbouw ingrijpt, zoo bij de zuivelbereiding, bij het gebruik van landbouwwerktuigen, bij verwarming en ventilatie van kassen, bij de toepassing van electriciteit; dat er dus zonder twijfel octrooien

Sluiten