Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ras dus onder de voortbrengselen moeten rangschikken, waartegen geen beswaar bestaat. Naar het algemeen gevoelen omvat het begrip „voortbrengsel" van art. 1 evenwel meer dan het stoffelijk voorwerp zelf; het stoffelijk voorwerp, dat octrooieerbaar is, kan dat slechts zijn als belichaming eener nieuwe gedachte. Dit nu geeft moeilijkheden, wanneer meerdere nieuwe gedachten denzelfden materialisatievorm bezitten; wie dan eenmaal geoctrooieerd zou hebben „gedachte A + materialiseering", zou het aan een ander onmogelijk maken denzelfden materialisatievorm tot stand te brengen uit de gedachte B. Deze moeilijkheid is in art. 4 der Octrooiwet2) opgelost. In dit artikel is het kernpunt de omschrijving van het begrip „stof". Hierover bestaat een groote onzekerheid; de auteurs denken hier wel uitsluitend aan „chemische stoffen". Men heeft door dit artikel de fabricatie van eenigerlei „stof" op andere wijze dan via de geoctrooieerde werkwijze mogelijk willen maken, keert slechts in art. 43 lid 4 den bewijslast om 2) ten bate van den octrooihouder. Is nu de plant, waaraan uit den aard der zaak door den wetgever nooit gedacht is, omdat hij den landbouw van de octrooieering uitsloot, gelijk te stellen met „stof"; zijn bijv. de aardappel, de tarwe, „stoffen"? W. Wessel3) spreekt in zijn proefschrift over een octrooi, dat betrekking heeft op een werkwijze tot „het brandvrij maken van riet, heide en dergelijke stoffen." Bij de kamerdebatten

art. 4 Octrooiwet.

Indien voor eene werkwijze tot bereiding eener stof of voor eene verbetering van eene zoodanige werkwijze octrooi is verleend, strekt dit zich uit tot die stof, mits volgens die werkwijze of met toepassing van die verbetering bereid. Voor een stof op zich zelve wordt geen octrooi verleend.

2) art. 43, lid 4 Octrooiwet.

Indien op grond van dit artikel schadevergoeding wordt gevorderd voor handelingen, verricht in strijd met het recht van den houder van een octrooi, verleend voor eene werkwijze tot bereiding eener nieuwe stof of voor eene verbetering van eene zoodanige werkwijze, zoo wordt vermoed, dat die stof volgens de geoctrooieerde werkwijze of met toepassing van de geoctrooieerde verbetering is bereid, tenzij door den gedaagde het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt.

3) W. Wessel, De begrippen „werkwijze", „stof" en „voortbrengsel" in het Nederlandsche Octrooirecht. Diss. Delft. 1924.

Sluiten