Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wijze gebonden is, het geheele art. 4 met het moeilijke vraagstuk wat al of niet „stof" is, kan verdwijnen. Bij deze opvatting blijven wij wat de plantenoctrooien betreft, in dezelfde positie, daar dan de koppeling aan de uitvindingsgedachte blijft bestaan.

Wanneer wij evenwel aannemen dat met eenige redactiewijziging van de artt. 3 en 4 der bestaande octrooiwet voortaan uitvindingen op het gebied van den landbouw octrooieerbaar zouden worden, dan moet in de tweede plaats onderzocht worden, of de octrooieering van nieuwe plantenrassen overigens in het kader der octrooiwet past zooals het in art. 1 gesteld is. Wanneer wij daarbij eerst onderzoeken, of de argumenten, die aangevoerd worden voor de bescherming der industrieele uitvinding ook op eventueele plantenoctrooien van toepassing zijn, dan vinden wij dat bijv. Drucker in zijn Handboek deze argumenten in twee groepen verdeelt. Aan de eerste groep, gegrond op overwegingen van rechtvaardigheid en algemeene rechtsbeginselen, kent hij weinig waarde toe. Zoo bijv. aan den algemeenen rechtsregel, dat aan hem, die eenig goed heeft geschapen, van nature een recht op dat goed zou toekomen. Dit behoort, zegt hij, thuis in een natuurrrechtelijke beschouwingswijze en dergelijke regels van algemeene gelding worden niet meer aanvaard. Hetzelfde geldt voor de opvatting, dat het octrooi een belooning is voor den uitvinder; ook dit is onbevredigend, daar van een algemeen erkend recht op belooning voor wie de maatschappij een dienst bewijst, geen sprake is. De gedachte, dat het octrooi een contract is van de samenleving met den uitvinder, ligt nog altijd ten grondslag aan de opvattingen van de Fransche auteurs over octrooirecht. Hierbij worden tegenover elkaar gesteld de voordeelen voor de samenleving, bestaande in het openbaar maken van de uitvinding door den uitvinder en de tegenprestatie van den staat in den vorm van bescherming. Dit argument kan voor de plantenoctrooien weinig dienst bewijzen, daar de kweeker als regel niets te openbaren heeft, wat de buitenwereld al niet lang weet en zelfs wanneer hij nauwkeurig meedeelde hoe zijn kruising tot stand gekomen is, kan men zijn uitspraak niet of moeilijk controleeren.

De tweede groep van argumenten acht Drucker met de meeste moderne schrijvers, bijv. Kohler en Osterrieth van meer

Sluiten