Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aanwending der natuurkrachten zijn beide in het kweekersprodukt aanwezig; het produkt zelf bewijst het „kunnen", terwijl het „weten" alleen dan niet aanwezig zou zijn, wanneer iemand, die van dit vak niet op de hoogte is, bij puur toeval een kruising van twee planten teweeg zou brengen — een geval van zoo groote onwaarschijnlijkheid, dat wij het kunnen laten rusten. Deze beide elementen, het „weten" en het „kunnen" ten aanzien van de aanwending van natuurkrachten, staan alzoo de gelijkstelling van kweekersprodukten met nijverheidsuitvindingen niet in den weg.

Anders is het evenwel met het derde element. De vooruitgang moet gelegen zijn op het gebied van de aanwending der natuurkrachten. Dat het produkt op zichzelf, het resultaat van de aanwending een vooruitgang beteekent, hoezeer op zichzelf van belang, telt hier niet mee als element voor het begrip uitvinding. Bij de overgroote meerderheid der kweekersprodukten is van een vooruitgang op het gebied der aanwending van natuurkrachten geen sprake; de man, die voor het eerst op de gedachte kwam twee planten te kruisen, heeft een uitvinding gedaan; zijn daad valt onder het begrip uitvinding; wie deze bekende gedachte evenwel thans toepast, vindt niet meer uit; zelfs niet hij, die een kruising verricht op een terrein, waar dit tot nu toe nog niet plaats gevonden heeft; men kan zeggen, dat als regel nieuwe soorten door toepassing van algemeen bekende en algemeen toegepaste methoden gewonnen worden.

Wij komen hier op wat Drucker noemt de „uitvinding als gedachte". „Zij bestaat," zegt hij, „in het denkbeeld een bepaald doel op bepaalde wijze te bereiken. Ook voor ons recht moet dit worden aangenomen, niettegenstaande de redactie van de verschillende bepalingen (art. 1, 2, 5), die het op minder gelukkige wijze doen voorkomen, alsof een bepaald voortbrengsel of een bepaalde werkwijze voorwerp van het octrooi is. Uit andere bepalingen blijkt voldoende, dat de wet het beginsel aanvaardt, dat voor de uitvinding, dat is de gedachte, het octrooi verleend wordt (zie art. 3)."

J. B. Waite (Patent law, 1920) drukt dit aldus uit: „Of first importance is the proposition, that an invention is not tangible.

Sluiten