Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hier rijzen vele rechtsvragen. De verkooper zal meestal bewust rechtsschender zijn; de kooper lang niet altijd, maar is hij het wel, dan valt zijn kwade trouw moeilijk te bewijzen. In het octrooirecht is een exploit voldoende, om geacht te worden „desbewust" gehandeld te hebben en tot schadevergoeding verplicht te zijn (art. 43 al. 2 Octrooiwet); hier zal men evenwel, als men eenige hectaren met bieten of karwij beplant heeft, niet op een exploit tot omploegen kunnen overgaan om zich daarna van veiliger uitgangsmateriaal te voorzien. Daar staat tegenover dat de landbouwer in zoo'n geval waarschijnlijk gemakkelijk de vrij lage cijns zal kunnen betalen, die hem niet erg zal drukken.

Maar hoe staat het wanneer de kooper zelf zich hier aan schuldig maakt? Hij koopt een hectoliter aardappelen van den kweeker, oogst er tien van, verkoopt negen voor consumptie en plant de tiende weer uit op zijn eigen terrein. Wordt hiermee het recht van den eigenaar verkort? En hoe, wanneer de aankoop geschied is door een coöperatie, die ten behoeve van haar leden gaat vermeerderen? En hoe, wanneer een zaadhandelaar, die tegelijk een vermeerderingsbedrijf heeft, op elke tien hectoliter tarwe, die hij van den kweeker ten wederverkoop koopt, er bovendien nog evenveel uit zijn eigen vermeerderingsbedrijf in den handel brengt? Hij schendt het recht van den beschermden eigenaar, maar het zal moeilijk te bewijzen zijn, ook al verkoopt de eigenaar zijn zaad uitsluitend in geplombeerde zakken. Zeer vele dergelijke vragen kunnen opgeworpen worden en dit alles leidt onvermijdelijk tot de vraag, hoe de beschermde kweeker de controle zal kunnen uitoefenen ten bate van zijn recht. Men vergete niet, dat bij het nijverheidsoctrooi de houder het uitsluitend recht bezit tot het vervaardigen van een voorwerp langs den door hem geoctrooieerden weg. Het voorwerp is bijna altijd doel; het voorwerp als zoodanig wordt door den consument begeerd. Zoodra het voorwerp niet meer doel, maar zelf middel is, is ook de positie van den nijverheidsoctrooihouder reeds zeer verzwakt. Wie een bepaalde machine of een bepaalde werkwijze uitgevonden heeft, zal dikwijls de schending van zijn octrooi moeilijk kunnen constateeren en daarom geeft art. 43 lid 4 der Octrooiwet hem nog een bijzondere bescherming, door het bewijs te vergemakkelijken en te onder-

Sluiten