Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dragen. Het verkoopen van zaaigoed onder anderen naam wordt tegengegaan, maar wij hebben nergens kunnen vinden dat de kweeker eenig uitsluitend recht zou bezitten op de reproductie van zijn ras. Wel wordt de kweeker door zijn merk beschermd en het is verboden om rassen, die niet als origineel erkend en als zoodanig in het register ingeschreven zijn, onder een zoodanige aanduiding te verkoopen, dat de indruk gewekt zou worden, dat het een origineel, ingeschreven ras zou zijn. Hetzelfde geldt voor nabouw. Steeds moet bij de aanduiding van de origineele rassen den naam van den kweeker en de kweekplaats van het ras opgegeven worden.

H. Lokscha in een artikel „Die Saatgutanerkennung in der Tsjechoslowakei (Der Züchter, 1933, p. 14) meent op grond van de 11-jarige ervaring met de wet van een goede werking der „Anerkennung voor den landbouw te mogen spreken; volgens hem geeft de wet de gelegenheid de „Schnellzüchtern" en de minder soliede elementen in den zaadhandel in toom te houden. Maar ten slotte geeft Prof. Dr. F. Chmelar, hoofd der „Sektion für Samenprüfung" te Brno (Brünn) op, dat slechts 3 a 4 % van de jaarlijks benoodigde hoeveelheid zaad erkend wordt; de kweekers kunnen dus slechts binnen dat percentage van de bescherming der wet genieten, zoodat de voordeelen die hen uit deze wetgeving toevloeien, nog geen groote geweest kunnen zijn. Evenals in Du'tschland geeft ook hier de staat een korting (40 %) op de vrachtprijzen van de spoorwegen, doch slechts bij verzending van minstens 200 kg erkend zaad. Toch klagen de zaadhandelaren met; vele groote bedrijven zijn regelmatig elk jaar uitverkocht.

In Frankrijk is reeds vanaf 1910 door de vereenigingen van bloemenkweekers, de Sociétés horticoles, voor bescherming geageerd; een proces dat nogal de aandacht trok, was oorzaak dat ook bij den wetgever belangstelling voor deze materie ontstond. Het was het proces Valuy c. Brün, dat zich afgespeeld heeft voor het Tribunal de Commerce te Nice. Het 23 Maart 1921 gedagteekende vonnis staat afgedrukt in de Annales de la Propriété industrielle, artistique et littéraire, meestal als Annales Pataille geciteerd, van 1924, p. 105. Valuy stelde dat hij in het

Sluiten