Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zaailingen verkregen, die een zeker meerprodukt moeten geven; zij drijft daarin evenwel geen handel.

Aardnoten (katjang tanah) J).

Waarschijnlijk is deze plant uit Afrika ingevoerd. Zelfbestuiving is hoofdzaak; door selectie van zuivere lijnen zijn rassen verkregen, die een zekere mate van resistentie tegen siijmziekte vertoonen. Op de Westkust van Sumatra is een toevallige bastaardeering ontstaan, die resistent tegen slijmziekte is en die daar dan ook thans het eenige aangeplante ras is (het heet „candidaat"). Het is niet goed mogelijk de rassen en geselecteerde lijnen alle te onderscheiden.

Koffie.

De eerste koffieplantjes waren van de soort Coffea arabica en werden in 1696 ingevoerd van de Westkust van Voor-Indië. Na 1878 werd de Liberia koffie uit de Kew Gardens uitgezonden, waar men ze uit Cape Coast in Liberia gehaald had. De soort Robusta, door Laurent in den Congo ontdekt, kwam over Brussel in 1902 op Karangredjo in het Blitarsche. Deze soort is nu de praktisch alleen aangeplante. Maar er zijn er ook geïmporteerd uit Brazilië (Maragogypa), uit de buurt van het Tchadmeer en uit het Afrikaansche merengebied van Oeganda.

In den koffieselectietuin op Bangelan (in Oost-Java) zijn al deze soorten vereenigd: Robusta en de met deze soort verwante soorten Quillou, Canephora, Oeganda; Liberia met de verwante soorten Excelsa en Abeokoeta en de soort Coffea congensis, die nauw verwant is met de Coffea arabica, de thans bijna verdwenen Javakoffie, doch die resistent is tegen Hemileia vastatrix, de koffiebladziekte. Van sommige soorten heeft men hybriden gemaakt, die als enten in den handel gebracht zijn (Kawisari, Bogor Prada, Kalimas hybriden) en goed slaagden; andere daarentegen hadden geen succes, waarop men zelfbestoven zaad van goede moederboomen verkrijgbaar is gaan stellen. Deze zaadkoffie wordt zoowel aan Europeesche ondernemingen als aan de inlandsche

1) K. van der Veer, Tweede gewassen, 1926.

Sluiten