Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BESCHRIJVING DER RIETSOORT 2961 P.O.J.

Herkomst: kruising in 1926 gemaakt op het Proefstation voor 'de Javasuikerindustrie te Pasoeroean.

Afstamming: 2878 P.O.J. (vr) X 2940 POJ. (m).

Groeiwijze: Krachtig uitstoelend, heldergeel, grasgroen tot groengeel, meestal sterk bewast riet. Stokken rechtopstaand of eenigszins schuinopstaand, zwak tot vrij duidelijk zigzag, lang, vrij dik met middelmatig lange rossen. Bladeren opstaand met overhangende toppen, heldergroen tot vrij donker groen.

Stokken.

Kleur doorgaans sterk door de was beïnvloed, uitgekleurde rossen heldergeel, grasgroen tot lichtgroen, pas geklentekte rossen groengeel tot geel.

Kurkbarstjes doorgaans geheel ontbrekend, slechts zelden aan den top der rossen in gering aantal aanwezig.

Groeibarsten ontbrekend of schaarsch.

Waslaag dik, eerst grijswit tot wit, later zwart vlekkerig, aan den top van het ros vrij geleidelijk in den wasring overgaand, naar beneden toe dunner; bij den groeiring, vooral in een min of meer driehoekige plek boven het oog vrijwel geheel ontbrekend.

Rossen zwak tot vrij duidelijk zigzag, zwak tot boven elkaar geplaatst, duidelijk tonvormig, aan den oogkant zwak tot duidelijk hol, aan den nietoogkant duidelijk gewelfd, vooral boven den groeiring.

Wortelring vrijwel cylindrisch, aan den oogkant breeder, lichtgroen tot grasgroen; worteloogen in 2 tot 4, meestal onregelmatige rijen, geel gekleurd.

Groeiring horizontaal, geel tot geelgroen, boven het oog recht doorloopend.

Ooggleuf ontbrekend.

Bladscheedelitteekens duidelijk scheef geplaatst, iets afloopend, onder het oog duidelijk naar voren uitspringend.

Merg massief.

Oogen.

Oogen duidelijk boven het bladscheedelitteeken ingeplant, aangedrukt, of de top iets afstaand, bij de lagere rossen den groeiring niet of nauwelijks bereikend, ovaal tot eirond, aanvankelijk lichtgroen tot groengeel, later lichtpaars aangeloopen, tenslotte bruin wordend. Kiemporus opvallend groot, nabij den top van het oog liggend. Vliezige rand der overliggende klep breed, naar beneden zich in een goed ontwikkeld tongvormig aanhangsel voortzettend. Vleugel in of iets boven het midden van het oog aangezet, smal tot en vooral in de hoogere rossen breed, vaak onregelmatig gekarteld.

Bladeren.

Bladscheeden aan den top breed droogvliezig berand, naar onderen smal tot vrij breed droogvliezig berand, onder het oog doorgaans duidelijk uitgezakt. Lange beharing op het rugveld tot aan of nabij den top der bladscheede doorloopend, haren lang en meerendeels afstaand; lange beharing

Sluiten