Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

refereerde Belgische uitlatingen, dat België geen enkele reden tot wantrouwen had tegenover Frankrijk of Engeland, doch integendeel het vertrouwen kon koesteren, dat die beide mogendheden hun garandeerende handteekeningen onder België's neutraliteitsverklaring zouden honoreeren.

Het is volmaakt begrijpelijk, dat de Fransche militaire leiders niet doof bleven voor de adviezen juist van die Engelschen, welke zich het ijverigst inspanden voor een FranschEngelsche militaire alliantie; dat zij m.a.w. de aanmaningen tot voorzichtigheid ten aanzien van België niet verwaarloosden, daar hiervan Engelands steun in een oorlog met Duitschland afhankelijk kon blijken!

Naar twee kanten werkte de Engelsche generale staf. Want niet alleen hield men voortdurend voeling met de Fransche collega's, ook met de Belgische legerleiding werd twee keer contact gezocht en gevonden. Op deze wijze wilde men zich vergewissen van de maatregelen, waarmede België een schending zijner neutraliteit door Duitschland zou beantwoorden, en tevens kon daadwerkelijke hulp uit Engeland voor dat geval in het vooruitzicht worden gesteld en geregeld. Met goed geweten kon de Belgische legerleiding, al bleef zij eenigszins aarzelend, deze besprekingen voeren; zij beoogden immers niets anders dan de verdediging van België's volkenrechtelijk vastgelegde neutraliteit, welke men op goede gronden door Duitschland bedreigd achtte. In 1887, toen Duitschland eenzelfde gevaar van Fransche zijde voor België signaleerde, hadden even zeer over de Belgische defensie besprekingen plaats gehad van den Duitschen gezant in Brussel met de ministers Bernaert en Chimay en de generaals v. d. Smissen en Brialmont1.

Zeker ging de Engelsche woordvoerder van 1912, overste Bridges, in enkele uitlatingen verder dan een volleerd diplomaat in zijn plaats ware gegaan — verder ook, dan den Belgen aangenaam moest klinken: hij beweerde, dat ook ongevraagd het Engelsche Expeditieleger in België zou optreden om een Duitschen doortocht te keeren, daar immers België zelf daartoe niet in staat geacht kon worden. Het antwoord hierop van den Belgischen generaal Jungbluth ligt voor de

1 Bredt p. 10-13.

Sluiten