Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schonken, dat de vijandelijke legerleiding onmiddellijk na de concentratie een overrompelend offensief in Lotharingen zou ondernemen. Schlieffen had in het algemeen gerekend met een aanvankelijk defensieve houding des vijands, waaruit hij tot den slag gedwongen moest worden daar waar Schlieffen zulks wenschte; Lotharingen was voor hem een secundair oorlogstooneel; maar om daar zoo veel mogelijk vijandelijke troepen zoo lang mogelijk vast te leggen1, moesten de zwakke Duitsche strijdkrachten een demonstratie ondernemen in richting van Nancy; dat zou den vijand nopen tot een tegenoffensief in Lotharingen — een uitval uit de bedreigde vesting Frankrijk, maar zonder perspectief; de Duitschers hadden hier dan slechts terug te wijken, de Franschen zouden weggelokt worden van het tooneel van den beslissenden slag en daar te laat of minstens in wanorde aankomen. Maar Moltke zag deze dingen anders.

Een grootsch opgezet Fransch offensief in Lotharingen beteekende z.i. een geducht gevaar, dat niet door acht Divisies kon bezworen worden; de linker vleugel moest dus versterkt worden. Maar in dat geval beteekende zoodanig vijandelijk offensief ook een kans, die men niet ongebruikt mocht laten. Het strategische doel immers kon geen ander zijn dan de vernietiging van het Fransche leger: bevond dit zich met zijn hoofdmacht tusschen Metz en de Vogezen, dan moest het ook daar verslagen worden, en het zou daartoe zelf de gelegenheid geven door uit de beschermende vestinggordel offensief naar buiten te breken.

Gezien in dit licht werd zelfs het oprukken van den Duitschen rechter vleugel door België „gegenstandslos", zooals Moltke na een Generalstabsreis opmerkte 2. In laatste instantie beoogde Schlieffen met dien opzet den vijand te dwingen slag te leveren; de doorbraak door België was dus niet meer dan „Mittel zum Zweck", geen „Selbstzweck" 3. Toch houdt ook Moltke's concentratie aan dezen doorbraak vast, daar

1 „Möglichst viele französische Krafte durch möglichst wenige deutsche Krafte zu fesseln muss das Bestreben sein."

2 Foerster p. 18.

3 Gackenholz p. 18.

Sluiten