Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Guise vijf uur lang stand tegen de XIX. D.I.); de verdedigers kregen steun van de 35ste D.I. (18de L.C.), die, bij haar flankmarsch van Sains naar Pleine-Selve, ter hoogte van Le Hérie het gevaar uit het N. had bemerkt, waarop haar commandant, generaal Exelmans, het initiatief nam front te maken naar het N. om de verdediging der Oise-linie te steunen en zoo de flankbeweging der andere divisies van Lanrezac naar het W., naar hun uitgangsstelling voor het gelaste offensief, te beveiligen. Pas om 17 uur was de brug van Guise in bezit van het X. L.C. Ook de Garde was op tegenstand gestuit. Verder dan het Oise-dal komen beide Corpsen dien avond niet. Niettemin kreeg Bülow gunstige berichten van het X. L.C. (generaal von Emmich): de gestelde doelen zouden zeker nog bereikt worden!1. Daar voorts de cavalerie verzuimd had om het gebied ten O. en ten Z. van de Oise te verkennen, bleef de aanval die hem den volgenden dag zou treffen voor Bülow een volkomen verrassing. Zijn order voor 29 Augustus, uitgaande van onjuiste praemissen, gelastte dan ook de energieke voortzetting der vervolging in dezelfde (d.i. in overeenstemming met Moltke's Anweisungen, de ZWestelijke) richting: „Die II. Armee gewinnt unter Einleitung des Angriffs auf La Fère die Linie Ham—Crécy".

French heeft op 28 Augustus zijn terugtocht voortgezet, waardoor hij een dagmarsch ten Z. van zijn beide Fransche huurlegers komt te staan, het 2de Eng. L.C. bij Noyon, het lste Eng. L.C. tusschen Chauny en St-Gobain. Daar hij in Zuidelijke directie retireerde en Kluck de ZWestelijke richting genomen had, ondervond hij geen hinder meer van het I. L.; de cavalerie onder Allenby had hier en daar nog schermutselingen, maar wist de afdeelingen van Bülows leger, die thans in het spoor der Engelschen marcheerden, voldoende te hinderen om de infanterie een ongestoorden terugtocht te ver-

1 Uit het werk van Heydemann, Die Schlacht bei St-Quentin 191U (Schlachlen des Weltkrieges in EinzeldarsteJlungen bearbeitet und herausgegeben unter Mitwerkung des Reichsarchivs, Nr VII, Oldenburg 1922) blijkt, dat de verstandhouding tusschen Emmich en den zeer autoritairen Bülow niet onvertroebeld was; het vermoeden is gewettigd, dat de eerste zijnen legercommandant een te gunstig gekleurd verslag gaf om onaangename uiteenzettingen te voorkomen.

Sluiten