Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoe de verschillende opvattingen ook tegen elkaar gebotst zijn, vast staat, dat Joffre ten slotte in zekere mate tegemoet komt aan Gallieni's wenschen. Hij maakt wel geen 3 a 4 actieve corpsen, zooals deze verlangd had, vrij voor Parijs, maar hij wijst althans het 6de L. onder Maunoury aan, om aan de verdediging der hoofdstad mede te werken en hij stelt de komst van Lanrezacs 18de L.C. in het vooruitzicht. Daardoor zou Gallieni de beschikking krijgen over de volgende strijdkrachten:

1° - de in Parijs aanwezige of debarkeerende troepen, namelijk vijf divisies Territorialen van geringe waarde; een Brig. Mariniers (contre-amiral Ronarc'h); een Brig. Cav. (Gillet) ; de 45ste D.I. uit Algiers (Drude);

2° - de eenheden van het 6de L., namelijk de R.Ds van Lamaze: de 55ste (Leguay) en de 56ste (Dartein); een Marokk. Brig. (Ditte); het 7de L.C. (Vautier), bestaande uit de 14de D.I. (Villaret) en de 63ste R.D. (Lombard) benevens zes bataljons Jagers; de zwaar geschokte R.Ds van Ebener: de 61ste (Deprez) en de 62ste (Ganneval); het uitgeputte C. C. Sordet, dat voorloopig nog maar voor een klein gedeelte bruikbaar is; later, met ingang van 3 September, komt in plaats van het beloofde 18de L.C. hier nog het 4de L.C. (Boëlle) bij, dat van het 3de L. wordt losgemaakt.

Afgezien van zijn Territorialen beschikt Gallieni dus wat de infanterie betreft over vijf R.Ds, die al aanmerkelijk hadden geleden, en over twee actieve divisies, die later nog met een tweetal zullen worden aangevuld. Sterk voelde hij zich daarmee allerminst. Op 2 September schreef hij nogmaals aan Joffre: „Paris, si vous ne lui donnez pas des troupes actives de renfort, au moins trois corps d'armée, est dans 1'impossibilité absolue de résister" 1. Joffre antwoordde hierop, dat verdere versterking van het garnizoen der hoofdstad hem onmogelijk was2. Bij Gallieni bevestigde zich daardoor de indruk, dat Joffre Parijs reeds als verloren beschouwde 3. Maar bovendien verontrustte het hem, dat bij de opperste

1 Arm. franQ. I, 2 Ann No 2016.

2 Ibid. Ann. No 2150.

3 Gallieni, Mémoires p. 42 en 75.

Sluiten