Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bovendien wordt Klucks waagstuk niet gemitigeerd door een partij trekken van de voor de beveiliging gunstige natura loei. Bestudeert men de topographie van het bekken van Parijs, dan constateert men de aanwezigheid van een groot aantal natuurlijke lijnen (terreinplooien en stroombeddingen), welke in het algemeen van het O. naar het W. loopen met een lichte neiging naar het N. Het parallelisme dezer lijnen (Yvette, Grand- en Petit-Morin, massief van Montmorency, Authonne, Thérouane, heuvelrug van Dammartin, heuvelrug van Villers-Cotterêts, Aisne, Ailette etc.), dat zijn oorzaak vindt in de structuur van den ondergrond, wordt loodrecht doorbroken door de valleien van Oise en Ourcq; beide verschijnselen, waarvan het tweede door het eerste gedetermineerd is, zijn niet slechts geologisch belangwekkend: ook uit strategisch oogpunt verdienen zij aandacht. Toen Kluck zijn corpsen liet oprukken tot aan of voorbij den GrandMorin bleef het IV. B.C. achter, ten N. der Marne, op een terrein, dat in het O. begrensd wordt door den Ourcq (met Savière en Crise), in het W. door de Oise, in het N. door de Aisne; tusschen de Aisne en Parijs vindt men dan een zeer groot aantal der van het O. naar het W. parallel loopende lijnen1, waarvan de Zuidelijkste gevormd wordt door de hoogten die, beginnend ten N. van Luzarches, zich over Montmélian, Dammartin, Montgé, Monthyon voortzetten tot de Marne bij Meaux. Deze „linie van Dammartin" vormt, vooral naar het Z., een voortreffelijke defensieve positie. Toen de Fransche legerleiding na den oorlog van 1870 de uitbreiding der stelling Parijs in studie nam, werd de waarde dezer linie erkend, maar daar zij zich op te grooten afstand bevond moest men er van afzien haar binnen het complex der stelling op te nemen. Juist om het uitstekende gezichts- en schootsveld, dat men van deze linie naar het Z. had, werd algemeen aangenomen, dat zij door den vijand bezet zou worden in geval van een nieuw beleg van Parijs 2.

Uit deze overwegingen wordt het duidelijk, hoe Kluck een effectieve beveiliging zijner verbindingen ten N. der Marne

1 Zie Bircher p. 24 e.v.: „Terrainverhaltnisse."

2 Berthaut, De la Marne a la Mer du Nord p. 35.

Sluiten