Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een uitbreiding door bijwoordelijke en andere niet-relatieve bijzinnen (c.q. nevengeschikt of samengetrokken) vinden we 20 maal1). Voorbeelden:

Et. 462 Huge dAvernaes sprac te desen. Vb. 62.22 Heer Ilughe van Avernaes sprac met toernigen moet als hi desen raet had horen geven. — Rt. 1129 Ende volgede den heelt vercoren. Yb. 150.5 Ende volchde Reinout wat zijn ors lopen mocht — Rt. 664 Wat mag ic nu anegaen? Vb. 64.30 wat best gedaen is ende iele mijn eer beware."

Driemaal komt als verklarende toevoeging voor een verbinding met „om te + infinitief":

Rt. 290 streec te dale. Yb. 60.11 ghinc selve met sijn baroenen om de ridders te sten. — Rt. 372 Doe dede Yewe, die coninc milde, // Castele maken, waer lii wilde. Vb. 61.25 daert hem geliefde om dat lant te houden. — Rt. 417 U sentene Carel die coninc." Vb. 62.4 de hem den brief sende ende om een antwoirt weder om te hebben. (Rt. 347 Die Yewen sullen helpen striden // Si gereedden hem ter vaert, — Vb. 61.17 gereide hem die coninc om te stride te trecken — geen toevoeging, maar uitbreiding van het verouderde „ter vaert").

Een uitbreiding door een zinsdeel, dat gevolgd wordt door een bijzin, vinden we in:

Rt. 19 „Ganc wech", seitsi, „portenare. Vb. 23.26 Ganc haestelic tot geen vier heren, de ginder comen riden Rt. 706 Ghi hebt gemaect .i. scone huus, // Also helpe mi Jesus! // Ende enen castele bequame. Vb. 65.36 „Gi hebt een scoen ende starc castele gemaect ende wel versien oft noot dede.

Ook uitbreidende, verklarende zinsdeelen komen herhaaldelijk in Yb. voor. Bijv.:

Rt. 98 Ghi sout antworden .i. dief // Of .i. gerechten mordenare, II Al waert dat hi verdeelt ware, // Nochtanne soudire spreken jegen. Vb. 24.33 want gi soudt op dusdaniger condicien antwoerde geven een misdadich of snode mensch" (vs. 100, 101 laat de Vb.-auteur als „over-

1) Een analyt. omvangrijker zinsvorm in Vb. is soms het gevolg van het vervangen van een zinsdeel door een bijzin: Rt. 311 Ic wille doen al u gebod. < wes gi ons hiet, 312 Ic wiste gaerne uwe name. > hoe ghi hiet, 315 Seggen onse namen. >■ hoe wi hieten, 455 bi mimen rade, >■ dat ic rade u, 724 binnen c. jaren. > al lage hijer hondert jaer. 1192 Nu willic swigen > tes tijt dat ic swige (in dit laatste voorbeeld wordt in Vb. de tijdsbepaling tot hoofdzin).

Sluiten