Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1°. Een possessieve datief, die we in beide teksten resp. 4 en 3 maal aantreffen, waaronder één correspondeerende plaats:

Rt. 978 Die trane haer uten ogen brac. Vb. 148.31 liepen haer die tranen uten oghen — Et. 828 Dat hem thoeft qnam afgevlogen (Vb. 146.37 ende geraecten seer wel dat bi wonder dede). — Verder: Rt. 133 vlg., 1000; Vb. 60.22, 148.23.

2°. Een datief als uitbreiding van de verbinding: sijn -f adjectief, waarvan Et. 9 en Yb. 5 voorbeelden bevat, waaronder 3 correspondeerende zinnen. De overige zinnen van Et. ontbreken door bekorting in Yb., de beide andere van Vb. zijn verduidelijkende uitbreidingen:

In gelijke functie vinden we in Et. éénmaal een datief bij: „staen + adjectief". Voorbeelden:

Rt. 234 Wi sullen hem wesen willecome. Vb. 59.21 so sullen wi hem wesen welecoem — eveneens bij 't adjectief „welkom": Rt. 307 — Vb. 61.3; Rt. 710 Wildi mi sijn van herten houd. Vb. 65.10 wildi ende alle uwe broeders mi getrou wesen.

Rt. 173 Daerbi staet mi onscone, // Hi wille dat ic hem spanne crone, (als verouderde uitdrukking in Vb. vervangen).

Een datief als uitbreiding van: sijn + substantief komt slechts éénmaal en wel in Et. voor, eveneens in Et. een uitbreiding van „dinken -f eigennaam":

Rt. 544 Develmoet van Kaerle den coninc // Ware mi al te sware dinc. (Vb. 62.23 mer coninc Kareis toern ontsach hi sere.).

Rt. 9 Die derde dinket mi Bertram. (Vb. 23.33 de vierde is heer Bernaert so mi dunct:) —

3°. Een dativus commodi of incommodi, die vrij veelvuldig in Et., maar betrekkelijk zelden in Vb. voorkomt (resp. 20 en 5 maal). Correspondeerende zinnen vinden we driemaal en wel bij de ww.: ontgaen en geschieden; verder komt in Et. deze datief voor bij: antwoirden (in Vb. < antwoirde geven), comen, bliven, behagen, dienen en helpen. Voorbeelden:

Rt. 90 Sine waren hem niet ontgaen. Vb. 24.30 si en souden hem niet ontgaen hebben. — Rt. 851 Ogiere (geschach) die ere groot. Vb. 147.9 Ogier geschiede grote eer. — Rt. 110 Daerof quam ftoer sint pine, (een corresp. zin ontbreekt in Vb.) Rt. 575 Mocht mi comen noch also. (Vb. 63.25 „Mochtet also comen enz.)

Sluiten