Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4. Verbindingen met een accusatief komen in beide teksten zeer talrijk voor. In Et. en Vb. bevatten resp. 21 % en 17 % van deze verbindingen behalve een accusatief ook een datief. Bijna zonder uitzondering vinden we in die gevallen een accusatief van de zaak en een datief van den persoon.

5. Verbindingen van een Vf. met een acc. c. inf. vinden we in beide teksten ongeveer even veel; is de accusatief het subject van den infinitief, dan is die infinitief meestal onovergankelijk gebruikt; bij de verbindingen, waarin de accusatief een object van den infinitief is, vinden we in beide teksten steeds als Vf. het ww. „doen".

6. Verbindingen van een Vf. met twee accusatieven zijn in beide teksten zeldzaam.

7. De verbinding van een Vf. met een accusatief, uitgebreid met een adverbium, komt in Et. veel talrijker voor dan in Vb. De in deze constructies aangewende werkwoorden worden ook zonder toegevoegd adverbium transitief gebruikt.

8. Een Vf. verbonden met een accusatief, uitgebreid met een voorzetselbepaling, vinden we in beide teksten nagenoeg even veel; de voorz. bepalingen zijn vooral richtingaangevend.

9. Echt wederkeerende ww. vinden we zelden en wel uitsluitend in Et.; toevallig wederkeerende ww., die talrijker voorkomen, vinden we daarentegen het veelvuldigst in Vb.

10. Het aantal verbindingen met een genitief is in Vb. verminderd; de objectsgenitief is in Et. grootendeels, in Vb. geheel beperkt tot de voornaamwoorden.

11. Een genitief als uitbreiding van een verbinding „sijn + adjectief" en een genitief bij impersonalia komen uitsluitend in Et. voor. In enkele gevallen vinden we in beide teksten naast den genitief van de zaak ook den datief van den persoon.

12. De verbindingen in Et. van een Vf. met een adverbium zijn in Vb. bijna altijd verduidelijkt, in het bijzonder door een voorzetselbepaling.

Sluiten