Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

constructies vervuld. Speciaal de verbindingen met een part. praes. zijn in Yb. doorgedrongen 1).

1°. Constructies met een participium praesentis.

Éénmaal onderbreekt een verbinding van een participium en een object, met attributieve functie, in Vb. den zin:

Yb. 24.25 Aymijn anhorende de tale van lioelant en antwoerde hem niet. — Rt. 81 Haymijn horde wel de tale, // Maer hi versweechse altemale.

De andere gevallen zijn afgescheiden participia aan het einde van den zin, de inleiding vormend tot de directe rede of verbindingen van een participium met een acc. cum inf., allen uitsluitend in Yb. voorkomend:

Yb. 25.30 ende omhelsden seggende: — Rt. 151 Ende heisden met bliden sinne // Endeseide: — Vb. 25.21 Als Aymyns toernigen moet began te vercoelen sprac hi tot haer seggende: — Rt. 153 Als Aymijn sijn evelmoet // Vergaen was, sprac hi, daer hi stoet: — Vb. 61.34 met een brief an Yewijn inhoudende: — Rt. 329 Ende omboot Yewen bi brieve, Vb. 23.27 ende sach in een valleye comen ridende de vier ridders — Rt. 3 Ende sach in dat dal beneden, // Waer die heren quamen gereden.

Yb. 23.28 Doe si[se] gewaer wert comen ridende mercte si enz. —

Rt. 5 „Den vorsten", seitsi, „hebbic becant".

2°. Constructies met een participium perfecti.

Hiervan vinden we één voorbeeld in Et. in een gecoördineerd zinsverband, dat in Vb. omgewerkt is tot een analytischen zinsvorm, een uitzondering op den regel, die bij deze participiale constructies blijkt te gelden:

Rt. 297 Thooft dat si vor hem brochten // Ende .i. crone daerup gebonden. Vb. 60.14 so toechden si den coninc thoeft daer die croen op stont.

Correspondeerend vinden we één stel zinnen:

Rt. 454 Behouden goet ende leven, // Seldise bi minen rade geven. Vb. 62.18 dat ic rade u dat ghise hem levert, behouden haer lijf.

De overige gevallen in Yb. zijn:

Vb. 24.20 wy comen tot u als boden gesent vanden coninc van Vrancrijc. Rt. 72 Wi sijn boden totu gesant, // Ende comen van den coninc

van y. Vb. 24.9 bi hem in die sale saten vij hondert man gewapent

ende reden om vechten. Rt, 41 Daer was die overmoet so groot // Ende mallic hadde up sinen scoot // .1. swaert met .i. goeden egge: — Vb. 146.26 so moechdi noch van mi gaen, onverslegen ende ic enz. Rt. 803 „So moeti dan," sprac die degen, // Van mi bliven onverslegen, —

i) Vgl. Tijdschr. voor Ned. Taal en Lett. XLIV, 119 vlg.

Sluiten