Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zinnen met samengesteld praedicaat bevat Et. dus meer dan Vb.; resp. 49 (32 %) en 22 (23 %); hiervan hebben in Et. een open zinseinde 27, een gesloten zinseinde 22; in Vb. is het aantal voor beide zinssoorten gelijk, n.1. 11. Evenals in de zinnen met Subject beginnend, toont Et. een voorkeur voor het open zinseinde, maar minder sterk. Omgekeerd daarentegen Vb., dat hier evenveel open als gesloten zinnen bevat, terwijl we in de zinnen met Subject voorop een sterke voorkeur voor den gesloten vorm constateerden.

Het zinseinde A. bevat in Et. 10 maal een voorz.bep., 3 maal twee voorz.bep., 5 maal een object, 4 maal een adverb. bep. en 1 maal een bekn. zin (vs. 290 vlg.). In beide categorieën, zinnen met aanloop en zinnen met S. voorop, komen dus vooral aan het zinseinde voor: voorzetselbepalingen, objecten en adverbiale bepalingen 1). Het aantal objecten aan het zinseinde is in de zinnen zonder aanloop veel grooter, dan in die met aanloop; de zware aanloop wordt immers juist vaak gevormd

door een object.

In Vb. merken we behalve voor voorzetselbepalingen geen voorkeur voor bepaalde zinsdeelen aan het zinseinde, evenmin als in de zinnen zonder aanloop. Het zinseinde A. bevat in Vb. n.1. 4 maal een voorz.bep., 2 maal een gecoördineerd zinsdeel, 1 maal een adverb.bep., een dat. object en eenmaal een coördinatie van twee voorzetselbepalingen, n.1.: 64.12 want tegen coninc Karei en mogen wi niet striden hier int lant noch over zee.

40. Onderbreking van den zin tusschen S. en Vf. komt evenmin in Et. als in Vb. voor. Elders in den zin vinden we in Vb. slechts één voorbeeld, en wel door een relatieven bijzin: 148.26 „Adelaert mijn lieve kint, dese scande • ende laster dair wi nu in zijn en mogen wi nemmermeer verwinnen. In Et. is „onderbreking" frequenter en hangt o. a. samen met de functie van den zwaren aanloop en den daarmee gepaard gaanden rhythmischen vorm van den zin: 968 Desen lachter, dair wi in sijn, // Dese scande ende dit seer // Ne verwinnen wi nembermeer. 985 Adelaert, sijn scoene kint, // Doi hi met siere herten mint, // Gevinc hi in sine arme bede. Behalve

i) vgl. § 34.

Sluiten