Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ingeleid door „al" (op drie uitzonderingen na; zie onder); in Vb. een conditionalen bijzin. De conditionale bijzinnen, met Vf. aanvangend, worden uiteraard door een hoofdzin zonder inversie gevolgd, daar er anders geen verschil in vorm tusschen hoofd- en bijzin zou zijn. Voorbeelden:

Et. 616 Wildi mi de roche geven, // Ic wils verdienen al mijn leven, 624 Gavic u de roche, coene wigant ,// Ghi dwoncter mede al mijn lant, 465 „Geifdi aldus up dese ridtaren, // Men sal u heten verrader hiernaer, — Yb. 62.29 soudise dus overgeven ende verraden, men soude u min achten dan een dwaes." 62.21 ende can hi u dan crigen hi sal u doen hangen." 64.16 Reinout, gave ic u de roetse, gi dwoncter al mijn lant mede ende oec Gascoengen." (corresp. met Rt. 624 vlg.).

Voorbeelden van concessieve bijzinnen, gevolgd door een hoofdzin zonder inversie, in Et.:

721 Al quame Karei die nameconde // Daer voren met al sinen here, // Hine mocht u niet .i. pere // Deren binnen .0. jaren." 654 Al quamer die coninc selve voren, // Hine soude wel sinen toren // Daerin onthouden sekerlike // Jegen den man van Vrancrike.

Deze hoofdzinnen zonder inversie, voorafgegaan door een conditionalen bijzin en in Et. ook door een concessieven, staan bijna uitsluitend in de directe rede en dienen voor het leggen van een sterken nadruk. De enkele gevallen, die niet in de directe rede voorkomen, zijn overgangen van directe naar indirecte rede, b.v.:

Rt. 867 Doe swoer Roelant vele saen: // „Hi soude Ywe varen vaen // Constine vinden in enich lant, // Hi soudene hangen doen tehant." — Vb. 24.28 ende sijn verwe ontginc hem, so dat hi dicwil bleec wort als hi sijn vianden so voer hem sach staen: had hi se enichsins met eren mogen slaen, si en souden hem niet ontgaen hebben.

Scheiding tusschen S. en Vf. door het ontkennende „en" komt in beide teksten enkele malen voor; overigens bevat Et. één zin met scheiding door een pronomen, een possessieven datief: 977 Daer die vrouwe dese tale sprac, // Die trane haer uten ogen brac. — en één zin met een scheidend nominaal object: 126 Ende eer soe twort vulseide, // Aymijn die hant verdrouch. — De beide laatstgenoemde zinnen zijn tevens uitzonderingsgevallen, waar een temporale bijzin aan een hoofdzin zonder inversie voorafgaat (evenzoo vs. 522 vlgg.).

Sluiten