Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het aantal open zinnen veel geringer is, treffen we niet die groote voorkeur aan; zelfs is het aantal zinnen met een object aan het zinseinde veel grooter; 3 maal komt een voorz.bep. voor en 6 maal een object. We constateeren hier dus dezelfde verhouding als bij de open zinnen met enkelvoudig praedicaat, waar het zinseinde in Yb. ook meerendeels gevormd werd door een voorz.bep., terwijl die voorkeur in Kt. daar evenmin bleek te bestaan 1).

48. De aard van V. en Vf., in verband met hun schikking 2). Het deel Y. kan zijn een infinitief op een participium perfecti. We vinden tusschen beide de volgende verhouding:

Volgorde V. Vf.:

Et. 5 maal: p. p. — Vf. Yb. 25 maal: p. p. — Vf.

12 maal: inf. — Vf. 31 maal: inf. Vf.

1 maal: te inf. —Vf. 1 maal: te inf. Vf.

Volgorde Vf. V.:

Et. 21 maal: Vf. — p. p. Vb. 6 maal: Vf. — p.p.

14 maal: Vf. — inf. 8 maal: Vf. — inf.

2 maal: Vf.—te inf. 3 maal: Vf. — te inf.

In Vb. blijkt de voorkeur voor V. Vf. bijna even groot in zinnen met p. p. als met inf.; Et. daarentegen toont zijn omgekeerde voorkeur vooral in de zinnen met p. p. De inf. staat daar bijna even dikwijls voor als achter Vf. Slechts éénmaal in beide teksten gaat „te inf." aan Vf. vooraf.

De aard van Vf. Enkele werkwoorden vallen door hun frequentie reeds dadeüjk op, n.1. „hebben" en „zijn' .

hebben: Volgorde p.p.—Vf.; Et. 0 maal, Vb. 15 maal.

Volgorde Vf. — p. p.; Et. 9 maal, Vb. 3 maal.

zijn: Volgorde p.p. — Vf.; Et. 3 maal, Vb. 10 maal.

Volgorde Vf.—P-P-j Et. 7 maal, Vb. 4 maal.

We merken op, dat bij een Vf. van het werkwoord „hebben in Et. nooit de volgorde „p.p.—Vf." voorkomt. Overigens

1) vg]. § 46.

2) Alléén de zinnen, waarin één deel V. voorkomt, worden hier besproken.

Sluiten