Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

blijkt ook duidelijk de groote voorkeur van Et. voor Yf. V. en van Vb. voor V. Vf.

De hulpwerkwoorden „zullen" en „willen" komen als volgt voor:

zullen: Volgorde inf.—Vf.; Et. 5 maal, Vb. 16 maal.

Volgorde Vf.—inf.; Et. 5 maal, Vb. 2 maal.

willen: Volgorde inf.—Vf.; Et. 2 maal, Vb. 9 maal.

Volgorde Vf.—inf.; Et. 2 maal, Vb. 0 maal.

Vb. vertoont bij beide werkwoorden bijna uitsluitend de schikking „inf. — Vf.", de voorbeelden in Et. zijn gelijkelijk over de twee mogelijkheden verdeeld. Andere werkwoorden zijn te weinig frequent om voor een vergelijkende beschouwing in aanmerking te komen (mogen, kunnen, durven, zien).

Conclusies aangaande „De vorm van den

mededeelenden zin".

1. Het aantal hoofdzinnen is in Et. aanmerkelijk grooter dan in Vb.; het getal der bijzinnen is in Et. in verhouding kleiner. Et. vertoont een groote voorkeur voor den enkelvoudigen hoofdzin.

2. Hoofdzinnen, aanvangend met het subject, vormen in beide teksten een kleine meerderheid; scheiding van S. en Vf., tenzij door de negatie „en", en onderbreking van den zin komt zelden voor, in het bijzonder in Vb.

3. Het aantal zinnen met enkelvoudig praedicaat is in Et. in verhouding even groot als in Vb.; in het zinstype S. Vf. A., dat in beide teksten het veelvuldigst voorkomt, bevat A. in Et. vaker dan in Vb. één zinsdeel. Frequent zijn vooral in Et. de zinnen, waarin A. gevormd wordt door een praed. nomen of een adverb. bepaling, vooral in Vb. de zinnen, waarin A. een object bevat.

4. Bevat A. meer dan één zinsdeel, dan is er zoowel in Et. als in Vb. een bepaalde volgorde der deelen van A. te onderscheiden.

5. In de zinnen met samengesteld praedicaat toont Et. een groote voorkeur voor open zinsconstructies, Vb. voor den gesloten zinsvorm.

6. Het aantal hoofdzinnen met aanloop vormt in beide teksten een hoog percentage. De lichte, adverbiale aanloop

Sluiten