Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woordschikking: Et. 463 Dese raet moete verdomet wesen.

Vb. 62.23 „Vermaledijt si de raet." 1)

Conclusies aangaande de niet-mededeelende zinnen.

1. Het aantal vragende zinnen is in Vb. zeer verminderd; de rhetorische vraag wordt in Yb. vermeden.

2. Beide teksten hebben een voorkeur voor vragende zinnen met aanloop.

3. In \ b. zijn weggelaten de niet in den volksboekstijl passende onderbrekende gebiedende zinnen; eveneens ontbreken in Vb. varieerende gebiedende zinnen.

4. Soms wijzigt Yb. den korten gebiedenden zin van het epos in een langere, eerbiediger wijze van aansporing.

5. Bijna alle gebiedende zinnen — in beide teksten — zijn met een vocatief verbonden.

6. Het meerendeel der gebiedende zinnen begint met Vf.; overigens komt in Yb. uitsluitend de nadrukkelijke aanloop voor, in Et. ook de meer formeele.

7. Het aantal wenschende zinnen is in Yb. gering; stereotiepepische zinnen worden bij voorkeur ingeleid door „also, so", biJ de ,,hartgrondige" wenschen vinden we zinnen met subject voorop.

IX.

DE FUNCTIES VAN DE VOEGWOOBDELIJKE BIJZINNEN.

54. Het aantal voegwoordelijke bijzinnen bedraagt in de onderzochte fragmenten van Et. 143, in Yb. 159; in beide teksten i 74 % van het totale aantal bijzinnen. Van alle voegwoordelijke zinnen is, zoowel in Et. als in Vb. het aantal ,,dat-zinnen" verreweg het grootst, n.1. in Et. 63, in Vb. 69.

J) Dezelfde woordschikking vertoont Vb. eveneens in den zin, corresp. met P. 69 nl.: P. 69 Ende God zij ghebenedijt!" — Vb. 37.14 gebenedijt si God daer of.

Sluiten