Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorop en bevat soms een pronomen, dat den objectszin aankondigt, vooral in Et.1):

Rt. 921 Als Yewe die monec dat sach, // Dat Roelant vor den doester

jaol1; yb. 148.8 Ende als Yewyn dit sach dat die ghenoten voir

den doester lagen, — verder: Rt. 385, 397, 735, 760, 933, Yb. 25.31.

Behalve deze zinnen met een „aankondigend" pronomen in den regeerenden zin bevat Et. nog 22 objectszinnen, \ b. 23, waarvan er 11 correspondeeren. De niet-correspondeerende objectszinnen in Et. komen o. a. voor in vaste epische constructies, die in Yb. ontbreken; zinnen als: 402 Alstie bode vernam, // Dat hi in Gasscoengen quam. — Verder ontbreken er door bekorting verschillende zinnen in Vb., soms door omwerking van het zinsverband. De niet correspondeerende zinnen in Vb. vinden hun oorzaak in den verklarenden stijl, de uitbreidingen en de neiging tot het gebruik van de indirecte rede.

„Dat- zinnen" met de functie van een voorzetselvoorwerp komen in beide teksten zelden voor, n.1. 2 maal, waaronder één correspondeerend stel zinnen.

Rt. 538 Maer hem jamerde sere // Om Renout den jonchere, // Ende om sine broedre, die met hem waren, // Dat si hem souden ontjaren,— Vb. 63.21 want hem iammerde seer Reinout ende sine broeders, dat

si van hem sceiden souden.

Rt 377 Ende Yewe wasser harde blide, // In wat wige si quamen, II Dat si altoos den zege namen, — Vb. 25.14 ende waren seer verstoert van binnen dat si daer waren gecomen sonder wapenen.

§57. Dat-zinnen, verbonden met een woord van den regeerenden zin komen in beide teksten nagenoeg even veel voor.

Veelvuldig vinden we de verbinding met „so", als graadbepaling bij een adjectief, een enkele maal met „so" als graadbepaling bij een adverbium. In Vb. komt verder één zin voor, verbonden met „so" als bepaling bij het werkwoord; we constateeren hier een overgang maar „so-dat": 146.37 ende geraecten wel s o dat hi wonder dede.

i) Een correspondeerend stel „dat-zinnen" met genit. objectsfunctie vinden we in P. en Vb. In P. gaat regelmatig de höofdzni voor^ terw j in Vb de objectszin voorop staat, door een pron. gen. object in den hoofdzin hervat: P. 4 Danc hebbe hi, dat hine slouch; - Vb. 35.15 „Dat M den cock doot sloech, des is hi dancs waerdich.

Sluiten