Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De neiging tot verzwaring der voegwoordelijke vormen in Yb. blijkt duidelijk bij de talrijke „dat-zinnen", verbonden met „also" als bepaling bij een werkwoord. We vinden steeds de opeenvolging „also dat", terwijl in sommige zinnen blijkens de interpunctie „also" reeds naar den bijzin is getrokken. Bijv.:

Yb. 61.27 daer hem God ende de .iv. ridders toe hulpen, also dat Yewijn sijn vianden verwan ende ontsien wert van sinen vianden. 64.20 ic soudet op hem wreken, alsoe dat hi mit vreden niet en soude mogen slapen op sijn bedde enz.

Ook in Et. komen enkele „dat-zinnen" voor, verbonden met „also", waarin we de opeenvolging „also dat" slechts eenmaal aantreffen. Elders is „also" van den volgenden „dat-zin" gescheiden. Bijv.:

Et. 55 Ende hi hadde met sire tongen // Al dat hof also bedwongen, // Batter niemen spreken dorste, // Geen so rïke landvorste.

Als graadbepaling bij een adjectief is „also", alleen in Et., enkele malen met een „dat-zin" verbonden:

Et. 430 Ende riep te rade sonder sparen // Alle sine man, die daer waren, // Met also groter listen, // Dats die heren niet ns wisten. 651 Gi heren, bedi wille hi // .1. huus maken also vast, // Dat hi niet gave .i. bast, enz.

Behalve de „dat-zinnen", verbonden met „so" en „also", vinden we nog:

Et. 69 Ende hine was niet in dien, // Dat hi wp hem wilde sien. 182 Dies es mine herte tongereke, // Dat ic hem crone spannen soude, 619 .1. huus van al suiker sterken, // Datic Kaerl ende sine mage // Van .i. baste niet ontsage, — Vb. 25.28 God en verleende mi nie so veel gracien dat ic een hint hadde an w gewonnen.

De hier genoemde „dat-zinnen" zijn bijzinnen van graad op enkele uitzonderingen na: de zin, verbonden met „in dien" (Et. 69) geeft een hoedanigheid te kennen, terwijl door „dies" (Et. 182) een causale bijzin wordt aangekondigd.

Zelden is een „dat-zin" verbonden met een substantief van den regeerenden zin:

Sluiten