Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Zinnen met „daer".

62. Het aantal zinnen ingeleid door het voegwoord „daer" bedraagt in Et. 19, in Vb. 13.

1°. In resp. 10 en 7 gevallen heeft „daer" betrekking op een substantivisch antecedent; deze bijvoegelijke „daerzinnen" volgen op den regeerenden zin, op een enkele uitzondering na, waar ze den zin, na het substantief waarop ze betrekking hebben, onderbreken:

Rt 968 Desen lachter, dar wi in sijn, // Dese scande ende dit seer // Ne verwinnen wi nembermeer. — Vb. 148.26 dese scande, ende laster daer wi nu in zijn en mogen wi nemmermeer verwinnen.

Vb. 24.14 Die vier ridders dair ic voir oj seide sijn gecomen in de sale (de „dair-zin" is een verduidelijkende toevoeging van Vb.).

Evenals in de geciteerde zinnen is „daer" ook in de meeste bijvoegelijke zinnen, die op den hoofdzin volgen, verbonden met een volgend adverbium. Slechts in enkele gevallen is „daer uitsluitend verbonden met een locale voorzetselbepaling van den hoofdzin:

Rt 508 So laetse varen haestelike // In .i. ander conincrike, // Daer si Karei niet ontsien." — Vb. 63.3 so laetse varen in een ander lant

daer si Karei nyet en ontsien.

Rt. 450 Dat si groten lacliter daden // Den coninc in sire kemenaden, II Daer si slougen jamerlike // Doot den coninc Lodewike. (een corresp.

zin ontbreekt in Vb.). ,, ,

Vb. 63.19 laetse varen in een ander lant, daer st hem weten te onthouden

voir coninc Karei, (Rt.: daer si in bliven ongescant).

Verbonden met een substantivisch antecedent of terugslaand op den inhoud van den hoofdzin, tevens verbonden met een adverbium in den bijzin, vinden we:

Rt 46 In enen bliaut van groenre siden, // Die diere was ende goet, II Daer menich goet steen in stoet. (Vb. dat verciert was met memgen goeden steen). 823 Ende gaf Goutiere .i. slach, // Daer hem die doe ane lach. (Vb. so dat hi ..). 947 Dat men hem die herte utesnede, II Daer hi de verranesse mede dede (een corresp. zin ontbreekt in Vb.).

Vb. 59.24 ende versagen dat casteel daer Yewyn ende sijn baroenen op waren; (bekort uit een uitvoerige zinsconstructie in Rt. 239 vlgg.) 60 10 Doe liepen neder die ridders ende ioncfrouwen om dat paert te sien daer die heren op saten. (i. pl. v. den gecoördineerden zmsvorm

Sluiten