Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Rt. 768 .xv.c bi getalle, // Die van ambocfite waren alle (een corresp.

relatieve zin ontbreekt in Vb.).

Vb. 24.7 met menigen costeliken steen, die seer genoechlic waren te sien ('n verhalende uitbreiding van Vb.)1).

In enkele gevallen in Vb. is het relatief pronomen vèr van het antecedent verwijderd en heeft de relatieve zin modale, resp. toegevend-tegenstellende en optatieve functie:

147.1 want hi sloech Gontier des conincs campenioen ten eersten slage doot, die so starc was van erachten, 25.28 (zie onder: Voorb. van contin. zinnen).

3°. Progressieve relatieve zinnen: d. w. z. bijzinnen naar den vorm, doch hoofdzinnen naar de functie. Hiervan vond ik slechts enkele voorbeelden en wel uitsluitend in Vb. In het eerste voorbeeld beantwoordt de progressieve bijzin in Vb. aan een nevengeschikten hoofdzin in Et., bij het tweede ontbreekt in Et. een correspondeerende zin (Zie ook § 66):

Vb. 149.2 ende viel op haer knien voer Reynout haren here, die si sere dancte. (Rt. 1000 Ende neech den grave op sinen voet, // Ende

dankes hem omodelike).

Vb. 148.18 als hi daer quam ginc hi met haesten daer hi Reynoudt

vandt, dien H die bootscap seide. —

Minder duideüjk progressief is een verduidelijkende uitbreiding in Vb., een zin die in Et. er bij gedacht moet worden.

Vb 24 20 wij comen tot u als boden gesent vanden coninc van Vrancrijc de ons bi u last bidden dat ghi comen wilt tot Parijs ende cronen zyn sone Lodewijc. (Rt. 72 Wi zijn boden totu gesant, // Ende comen van den coninc van Vrankrike, // Dat gi croont Lodewike) 2).

68. Het antecedent der relatieve zinnen is zoowel in Et. als in Vb. in verreweg de meeste gevallen een substantief 3), hoewel deze voorkeur in Et. minder groot is dan in Vb. Een enkele maal wordt het gevormd door een gesubstantiveerd adjectief

1) Een dergelijk verband vinden we ook in P. (de.correspondeerende, zin in Vb. ontbreekt hier). Opmerkelijk is, dat het onzijdige „dat betrekking

heeft op een vrouwelijk antecedent:

P. 78 ij bisscope liilden die dwale, // Dattem zat harde wale.

2) vgl. voor den ,,dat-zin" § 58, 1°.

3) c.q. eigennaam.

Sluiten