Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Et. 177 Wien ic mochte begaen, // Dien soudic wel gaerne slaen. — Vb. 65.26 wie totter roetsen wonde comen woenen, Reynout soude hem husinge geven 1). —

In Et. zijn alle zinnen ingeleid door „wie (wat)" objectszinnen (40, 247, 423, 517, 775), in Yb. het meerendeel (23.29, 26,3, 61,5 61,7). Uiteraard wijst bet pronomen niet terug op een antecedent van den hoofdzin. Met antecedent komt in Yb. een zin voor, die feitelijk een appositie vormt bij het antecedent :

Vb. 64.10 segt u meninge wat gi doen wilt." (Rt. 606 Nu segt mi ende doet verstaen: // Soudijt willen anegaen?").

Tenslotte bevat Vb. nog twee zinnen met graadaanduidende functie:

Vb. 146.34 ende Gontier sloech seer grote slagen after een op Ogiers scilt wat hi mochte met alle sijn cracht (de pronom. bijzin onderbreekt den hoofdzin; de pronom. functie van „wat" verdwijnt). 60.15 ende helpen u wes wi vermogen (Rt. met onser cracht).

71. twelc. Behalve de pronominale zinnen zónder antecedent en die mét een antecedent in den voorgaanden hoofdzin moet nog één zin in Yb. gevormd worden, ingeleid door „twelc", waarbij het antecedent gevormd wordt door den geheelen voorafgaanden zin. Evenals de progressieve relatieve zinnen is deze zin slechts ondergeschikt naar den vorm. Een correspondeerende zin in Et. ontbreekt.

Vb. 63.36 Die coninc ontboet Reinout ende zyn broeders dat si tot hein quamen, twelc die broeders terstont deden.

Conclusies aangaande de pronominale bijzinnen.

1. Het aantal pronominale bijzinnen is in Et. grooter dan in Yb. De meeste worden ingeleid door „die (dat)", in het bijzonder in Et. In de groote meerderheid der zinnen wijst het pronomen terug op een antecedent.

J) vgl. voor de woordschikking van den hoofdzin (zonder inversie): Hoofdzinnen, voorafgegaan door één of meer bijzinnen, § 42.

Sluiten