Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2. In de zinnen, ingeleid door „die (dat)" komt de verbogen vorm van het pronomen in Et. nooit, in \ b. zelden voor. De overgroote meerderheid heeft een antecedent.

3. We kunnen bij de zinnen met een antecedent onderscheiden:

a. beperkende relatieve zinnen: de meerderheid vormend; het pronomen is subject of object van den bijzin, in Vb. zelden object.

b. continuatieve relatieve zinnen: Et. heeft wat deze zinssoort betreft grooter frequentie en verscheidenheid dan Vb.; in Vb. is het pronomen steeds subject van den bijzin. Door scheiding van antecedent en pronomen krijgt de bijzin in Vb. soms modale functie.

c. progressieve relatieve zinnen: slechts enkele voorbeelden in Vb.

4. Het antecedent is meestal een substantief (c.q. eigennaam). Is het antecedent pronominaal, dan vinden we herhaaldelijk scheiding van antecedent en pronomen; bij een nominaal

antecedent zelden.

5. „Die (dat)-zinnen" zonder antecedent zijn zeldzaam; ze hebben subjects- of objectsfunctie. Ben voorafgaande subjectszin wordt in Et. in den hoofdzin hervat.

6. Het aantal zinnen ingeleid door „wie (wat)" is weinig talrijk; toch is de frequentie in Vb. aanmerkelijk toegenomen. Ze hebben in Et. alle, in Vb. op enkele uitzonderingen na, objectsfunctie. De verbogen vorm van het pronomen komt

herhaaldelijk voor.

7. Een zin ingeleid door „twelc" komt éénmaal in Vb. voor; het antecedent wordt gevormd door den geheelen voorgaanden zin. De „twelc-zin" is slechts ondergeschikt naar den vorm.

Sluiten