Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Rt. 173 Daerbi staet mi onscone, // Hi wille dat ic hem spanne crone, II Dat ombieden si mi allegader, // Ic lidten meer dan den vader. — Vb. 25.32 Ende nu willen si begeren dat ic hem cronen sal, des ic niet doen en wil want ic hate hem mer dan den vader,

zinsverbinding boor „maer (mer)".

§76. Was het aantal verbindingen met „ende" en „want" in Et. veel geringer dan in Yb., met de verbindingen door middel van „maer" is dit niet het geval. In Et. komen n.1. 9 gevallen voor, in Yb. 8. Het aantal is in beide teksten dus nagenoeg even groot, maar een correspondeerende zin komt slechts éénmaal voor:

Rt. 597 „Geen verrader willic wesen, // Maer des sijt seker ende vroet: // Te zwaer es mi sijn evelmoet. — Vb. 64.6 ic en wil geen verrader wesen. mer sijn toern en derf ic niet verwachten:

De functie van „maer" is hier beperkend, zooals ook op verschillende andere plaatsen in beide teksten. Bijv.

Rt. 212 Doe reitsi, waer si wüden, // Maer sine hadden niet van haren scilden, // No van helmen niet geheel // Behouden trechte derden deel (Vb. heeft „want", zie vorige §). —Vb. 63.14 men mach hangen die men wil, mer gi hebt u doemsdach. (een corresp. zin ontbreekt

in Rt.).

De tegenstellende functie van „maer" komt in beide teksten slechts enkele malen voor:

Rt. 854 „Hoe soudi proeven nu op mi // Verradenesse ? In dede nie gene, // Bi den here van Nasarene! // Maer Ywe, die u gout nam, // Hi sende sorcors, die rike man, — evenzoo: 528 vlgg., 566 vlgg. Vb 62 35 quaemdi in Poelgen .... u stonde te lijden swaer verdriet ....mer wildi u selven quiten ende u eer bewaren, dordise met onthouden om Kaerls wil, so laetse varen in een ander lant.

Conclusies aangaande de zinsverbinding door ende, want en maer.

1. Het aantal zinsverbindingen door middel van „ende' is m Vb. aanmerkelijk grooter dan in Et.; de sobere epische stijl is in Vb. vervangen door een meer vloeienden zinsbouw.

2. De oude „additieve" functie van „ende" is in Et. nog merkbaar.

Sluiten