Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vidueele merken ligt in de bovenbedoelde scheiding van recht en gebruik bij de collectieve merken. De rechthebbende op het individueele merk is tegelijkertijd gebruiker, de rechthebbende op het collectieve mferk beschikt wel is waar over het gebruiksrecht, houdt dit dus zuiver juridisch gesproken in handen, maar het daadwerkelijk gebruik berust bij de leden der collectiviteit of de daartoe behoorenden dan wel bij degenen daartoe door den rechthebbende aangewezen.

Uit dit verschil vloeit voort, dat de gebruiker van een individueel merk, die dus tevens rechthebbende is, er zelf het grootste belang bij heeft, dat de qualiteit zijner producten op peil blijft, omdat hij anders zelf door minderen omzet den terugslag daarvan zal ondervinden.

Bij het collectieve merk is dit geheel anders. Er kunnen leden van de groep gebruikers zijn, die meer waarde hechten aan hun individueel merk, dat zij gewoonlijk wel naast het collectieve merk zullen aanbrengen, dan aan het collectieve merk en die de qualiteit hunner producten verminderen om zoodoende lagere prijzen te kunnen vragen en dus hun afzetgebied te vergrooten en die daardoor het collectieve merk in discrediet brengen x).

Het behoeft daarom wel geen nader betoog, dat voor het collectieve merk geheel andere regels moeten gelden dan voor het individueele merk.

Het ontbreken van een regeling voor deze steeds belangrijker wordende groep van merken is in de eerste plaats op zichzelf reeds een leemte, maar bovendien heeft Nederland door ratificatie van de nieuwe in 1911 te Washington vastgestelde verdragen betreffende de internationale bescherming van den industrieelen eigendom (herziening van de conventie van Parijs van 1883) de verplichting op zich genomen de inschrijving van collectieve merken toe te laten en deze te beschermen (art. 7bis, zie blz. 107 vlg.).

Daar aangenomen mag worden, dat de Regeering tegenwoordig aan de bepalingen van een bij de wet goedgekeurd verdrag zonder meer wetskracht toekent (vgl. blz. 108),zoodat collectieve merken dan ook inderdaad tot de inschrijving toegelaten worden, kan misschien niet gesproken worden van een verzuim van Nederland ten opzichte van deze tractaatsbepaling. In art. 7bis ligt echter niets dan een

x) O. & M., Juli 1933, blz. 138.

Sluiten