Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aard, die niet voor cassatie in aanmerking komen; de beslissingen van de Rechtbank waren zoodoende in verreweg de meeste gevallen definitief.

Bovendien was de eenheid van rechtspraak, die men beoogd had en die men had trachten te verzekeren door voor alle merkenquaesties, als bedoeld in art. 10 Mw, de Haagsche Rechtbank bevoegd te verklaren, niet bereikt, omdat niet alleen door de wisseling der leden der bevoegde kamer op gezette tijden, maar ook door het meermalen optreden van andere rechters in het geheele college, toch lang niet altijd dezelfde rechters, van wier subjectieve inzicht de beslissing afhing, uitspraak deden. Het gevolg hiervan was, dat meer dan eens uitspraken werden gedaan, die, zoo zij al niet in strijd waren met vroegere uitspraken, dan toch moeilijk daarmede waren te vereenigen. Daarom — en tevens om de aanzienlijke geldelijke belangen, die vaak op het spel stonden — was er alle reden hooger beroep toe te laten op het Hof, welks samenstelling ook minder aan verandering onderhevig was (art. I2bis) 1).

Voorts werd ingelascht een nieuw art. 3bis en wel naar aanleiding van het arrest van den Hoogen Raad van 2 Januari 1903 (W. 7863). Volgens dit arrest was inschrijving van hetzelfde merk ten name van 2 personen, die gelijktijdig en gezamenlijk hetzelfde merk ter inschrijving ten name van elk hunner inzonden en onafhankelijk van elkaar een fabriek exploiteerden of handel dreven, toelaatbaar. Het Bureau voor den Industrieelen Eigendom had in het hier bedoelde geval inschrijving geweigerd, omdat inschrijving van hetzelfde merk ten name van 2 of meer personen tot verwarring bij het publiek moest leiden en als in strijd met de bedoeling van de Merkenwet werd gevoeld. De Haagsche Rechtbank stelde het Merkenbureau evenwel in het ongelijk, zulks omdat een uitdrukkelijke bepaling, waarop de zienswijze van het Bureau berustte, in de wet ontbrak; deze beslissing werd door den Hoogen Raad bevestigd, al achtte dit College de jure constituendo een zoodanige bepaling wel gewenscht. Door de inlassching van art. 3bis werd nu de zienswijze van het Merkenbureau wettelijk tot de juiste gemaakt2).

*) Bijl. Hand. 2e Kamer 1902—1903, No. 215, 3; vgl. blz. 75. *) Vgl. blz. 107 (art. 3bis en de collectieve merken)

Sluiten