Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wijzigings- De wijzigingswet van 1912 was een gevolg van het bewetvan S paai(je jn art- I4 der Octrooiwet van 7 November 1910, inhoudende, dat de Octrooiraad deel uitmaakt van het Bureau voor den Industrieelen Eigendom. Daardoor moesten gewijzigd worden die artikelen der Merkenwet, welke de instelling, werkzaamheden enz. van dit Bureau betroffen (sindsdien zorgt het Merkenbureau als onderdeel van het Bureau voor den Industrieelen Eigendom voor alles wat de merken betreft). Tevens werd, met de uitvoering van de Octrooiwet, ook de uitvoering van de Merkenwet (tot dien datum ondergebracht bij het Ministerie van Justitie) opgedragen aan den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel (tegenwoordig Minister van Economische Zaken).

De openbaarmakingen vanwege het Bureau voor den Industrieelen Eigendom geschieden sindsdien niet meer in een bijvoegsel van de Staatscourant, doch in een speciaal door het Bureau uitgegeven blad („De Industrieele Eigendom", art. 6 Mw.). ...

Andere wijzigingen dan die, welke met de invoering van de Octrooiwet in verband stonden, kwamen zelfs niet ter sprake, omdat de Minister teneinde de Octrooiwet, die reeds zoolang op zich had doen wachten, zoo spoedig mogelijk in werking te kunnen doen treden, uitdrukkelijk als den wensch der Regeering te kennen had gegeven, dat de wijzigingen der Merkenwet beperkt moesten blijven tot die, welke door de Octrooiwet noodzakelijk werden gemaakt.

De in 1911 te Washington (Conferentie van 15 Mei 2 Juli 1911) opnieuw vastgestelde verdragen, goedgekeurd bij de wet van 19 Maart 19*35 S. I04 en geratificeerd bij K.B. van 25 April 1913, S. 142, gaven de Regeering geen aanleiding tot wijziging der Merkenwet1). Toch kwam hierin een nieuwe bepaling voor, waarmede men onze Merkenwet ongetwijfeld in overeenstemming had moeten brengen. Dit was de bepaling van art. 7bis, betreffende de bescherming van collectieve merken. De Minister meende echter, dat art. 7bis wijziging onzer Merkenwet niet noodzakelijk maakte. Hierop komen wij bij de behandeling van de rechtspositie van het collectieve merk in ons land nader terug (blz. 107).

i) Bijl. Hand. 2e Kamer 1912—igi3> No- 3'4> 3-

Sluiten