Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK II. ALGEMEEN GEDEELTE.

AFDEELING i.

Het Onderscheidend Vermogen van het Merk.

Dmschrij- Als eenige nadere aanduiding van het merk bepaalt de wet'vande wet» dat ^et moet dienen ter onderscheiding van iemands 1893. fabrieks- of handelswaren van die van anderen (art. 3 lid 1).

Hierin ligt opgesloten de voorwaarde, dat het merk aan of op de fabrieks- of handelswaar moet worden aangebracht. Dit is een eisch, waaraan niet getornd mag worden. Zooals later zal blijken, komen er in den handel vele kenmerken en aanduidingen voor (b.v. gebruiksmodellen, uithangborden), die met het merk verwant zijn en die desnoods onder de bescherming der Merkenwet zouden kunnen worden gebracht, maar die in werkelijkheid niet in de Merkenwet thuis behooren en die, om het begrip merk zuiver te houden, daaruit ten strengste moeten worden geweerd x).

Naast art. 3 lid 1 stelt art. 4 lid 3 negatief vast, dat het merk geen woorden of voorstellingen mag bevatten, die in strijd zijn met de openbare orde en goede zeden, terwijl het evenmin mag bevatten, zij het ook met een geringe afwijking, een wapen van het Rijk, een provincie, gemeente of eenig ander publiekrechtelijk lichaam.

Feitelijk geeft de wet dus slechts aan, waarvoor het merk dient, het aan de practijk en de jurisprudentie overlatende te beslissen, wat onder een merk moet worden verstaan. Het voordeel hiervan is, dat de rechter bij zijn beslissing steeds rekening kan houden met de heerschende opvattin-

1) Vgl. omtrent het aanbrengen van „merken voor diensten", blz. 39; zie ook blz. 58 noot.

Sluiten