Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gen, zonder aan een meer of minder strenge wetsbepaling gebonden te zijn; het nadeel is, dat een vaste lijn in de jurisprudentie ontbreekt, omdat door de belangrijke plaats, die hierdoor aan het subjectieve inzicht van den rechter wordt gegeven, de eene rechter als merk beschouwt, wat volgens den ander in strijd is met de bedoeling van de wet. Bedoeling Wat de wetgever in 1893 precies onder een merk veri893^eVei stond, is niet met zekerheid te zeggen.

Vóór 1893 kwamen practisch slechts figuratieve merken voor en lette men vrijwel uitsluitend op den uiterlijken vorm. Het is dus niet onmogelijk, dat men, toen in 1893 ook woordmerken uitdrukkelijk bescherming verkregen, slechts dacht aan constant in denzelfden vorm voorkomende woordmerken en dat het dus de bedoeling was om het woord merk niet als zoodanig — afgezien nog van de beteekenis ervan — te beschermen, doch alleen in den vorm, waarin het was ingeschreven of placht gebruikt te worden.

merken Wat hiervan zij, de Hooge Raad, die in zijn arrest van 11 Mei 1909 (W. 8872) nog leerde, dat een merk standvastig hetzelfde moet zijn om als herkenningsteeken te kunnen dienen, besliste in 1911 (arr. van 28 April 1911, W. 9172), dat het woordmerk, als woord, dus ook in gewone letters, onder de bescherming der Merkenwet viel. Sindsdien is de jurisprudentie vrijwel constant dezelfde meening toegedaan gebleven x).

Om een enkel voorbeeld te geven, hoe weinig waarde de jurisprudentie tegenwoordig aan den uiterlijken vorm hecht, zij hier vermeld de beslissing van de Rechtbank te 's-Gravenhage2), waarbij in het gelijk werd gesteld de rechthebbende op het woordmerk ,,Tonspiegel", die het gebruik van het merk „Le Miroir de la Voix" door een ander, als een zuivere vertaling van zijn merk, als inbreuk op zijn recht beschouwde. Een vrij recent vonnis spreekt zelfs uitdrukkelijk van een „klankmerk" 3).

sche'dënd ^ een merk geacht moet worden al dan niet onderscheivermogen. dend vermogen te bezitten, is niet in abstracto vast te leggen. Trachtte men dit toch te doen, dan zou dit wel is waar

*) Een uitvoerige bespreking van het woordmerk is o.a. te vinden in de dissertatie van Groenman: „Het handels-en fabrieksmerk en zijn bescherming" (Utrecht 1909).

*) Rb. 's-Gravenhage, 30 October 1929; I. E. 1930, blz. 23. ') Rb. Arnhem, 18 Mei 1931, W. 12353.

Sluiten