Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

spreekt echter vanzelf, dat kleur en vorm der waar of der verpakking zoozeer in het oog kunnen springen, dat het wellicht toch reeds geringe verschil tusschen de merken van b.v. vrijwel gelijk verpakte artikelen van concurreerende firma's nog meer verdoezeld wordt. Daardoor zal bij de beslissing of het gebruik van een bepaald merk beschouwd moet worden als inbreuk op eens anders merkrecht, of de beide merken dus al dan niet geheel of in hoofdzaak overeenstemmen (art. 10 Mw), kleur of vorm der waar of der verpakking ongetwijfeld van invloed kunnen zijn1).

In Duitschland en België beschermt men den vorm der waar of der verpakking als merk, wanneer daaraan in de desbetreffende handelskringen onderscheidende waarde wordt toegekend 2), terwijl ook in Amerika, waar men bezig is het merkenrecht te herzien, door belanghebbenden drang wordt uitgeoefend om den vorm der waar en de verpakking als merk te doen erkennen 3).

Ook ten onzent zijn wel eens stemmen opgegaan om deze „onderscheidingsteekenen" onder de merkenbescherming te brengen 4); immers ook een speciale verpakking zou, evenals een merk, als onderscheidend kenmerk van fabrieks- en handelswaren dienst kunnen doen.

Dit is inderdaad juist, maar daar staat tegenover, dat men, wanneer men de verpakking als „merk" aanvaardt, begint met het begrip merk zoozeer buiten zijn taalkundige beteekenis uit te breiden, dat de gevolgen moeilijk zijn te overzien. Zoo zouden dan b.v. ook de vorm van een flesch of van een doos (als „verpakking") als merken beschouwd moeten worden en dus aan de Merkenwet een soort vormbescherming ontleend kunnen worden, die er o.i. beslist niet in thuis hoort.

Van een dringende behoefte tot bescherming in dit opzicht is bovendien ten onzent nimmer iets gebleken, al

J) Vgl. b.v. Rb. Utrecht, 14 October 1931, N. J. 1933, blz. 1087 en 31 Mei !933> I- E. b. 1933, blz. 95; vgl. ook H. R. 18 Juni 1926, N.J. 1926, blz. 1018 en 11 Juli 1933, N. J. 1933, blz. 1702: de rechter mag bij zijn beslissing of twee merken al dan niet in hoofdzaak overeenstemmen met alle omstandigdigheden rekening houden.

*) Elster, „Urheber-, Erfinder-, Warenzeichen- und Wettbewerbsrecht" (1928), blz. 364. Zoo ook Oostenrijk, Rb. Weenen, 2 December 1930, Pr. Ind. Februari 1931, blz. 28 en 31 Januari 1932, blz. 12.

') Buil. U. S. Tr. M. Ass., Februari 1932, blz. 32.

*) O. & M., Februari 1934, blz. 306.

Sluiten