Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tiatief zijn; de rechter is dan vrij om, ook wanneer de wet een bepaald onderscheidingsteeken niet noemt, hieraan merkenbescherming toe te kennen, wanneer de practijk daaraan behoefte blijkt te hebben en wanneer dit overigens aan de door de wet gestelde voorwaarden voldoet.

In hetzelfde artikel, waarin het merk nader omschreven wordt, moet dan worden aangegeven, wat verboden bestanddeelen zijn (art. 4 lid 3 met een aanvulling in verband met art. 6ter van het Unieverdrag).

AFDEELING 2.

Het Recht om te merken.

Wij hebben thans nagegaan, wat een merk is en wat als zoodanig kan worden beschouwd. Wat is de reden, dat men het aanbrengen van een merk ter onderscheiding van iemands fabrieks- of handelswaren van die van anderen in de wet van 1880 als een recht is gaan beschermen? estand Vóór de totstandkoming van de Merkenwet van 1880 Sr 1880. golden in Nederland slechts enkele bepalingen omtrent merken en wel die, welke voorkwamen in de in Nederland executoir verklaarde wet Germinal (vgl. blz. 7). Waren deze bepalingen op zichzelf al van geringe beteekenis, voor Nederland waren zij eigenlijk geheel waardeloos, omdat de Fransche in het gemeene recht wortelende grondslag, waarop deze wet berustte, in Nederland ontbrak.

In Frankrijk immers kende men toen reeds als een soort ongeschreven recht (droit naturel), het eigendomsrecht op een fabrieks- of handelsmerk x), dat ontstond door een eenvoudige daad: het ingebruiknemen als merk, en dat zonder meer bescherming vond in het gemeene recht. In Nederland daarentegen waren rechten buiten de wet om vrijwel onbekend 2); een recht om met uitsluiting van anderen een

*) Pouillet, t.a.pl., blz. 105; Boettcher, „Caractères et effets du dépót en matière de marqués de fabrique" (1924), blz. 17.

2) Hierin is wel eenigszins verandering gebracht in 1919 door de ruimere interpretatie van den Hoogen Raad van het begrip onrechtmatige daad. Vgl. blz. 65.

3

Sluiten