Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

trouwens in verband met de functies, die het merk tegenwoordig kan vervullen (blz. 35 vlg.) o.i. practisch onbruikbaar is geworden — is, dat als persoonlijk recht het merk feitelijk onvervreemdbaar behoorde te zijn; evenwel geeft ook Kohier toe, dat er geen bezwaren tegen bestaan, wanneer een onderneming met het daarbij behoorende merk aan een derde wordt overgedragen. Kohier lascht dit op weinig bevredigende wijze in zijn theorie in door in geval van overdracht het merkrecht voor den overdrager als vervallen te beschouwen, waarna de cessionaris dat merk door toeeigening tot het zijne kan maken1).

Wij zouden er echter de voorkeur aan geven om met ter zijde stelling van theorieën het merkrecht eenvoudig een onpersoonlijk recht te noemen, waarvan aard en omvang door de wet moeten worden vastgesteld x).

Van de overige tot den industrieelen eigendom behoorende rechten zijn de belangrijkste de handelsnaam en het octrooi.

Vergelij- Met het recht op den handelsnaam vertoont het merk-

denfhaji- recht in vele opzichten overeenstemming. De handelsnaam (Handelsnaamwet van 5 Juli 1921, S. 842) is de naam of de firma, waaronder een koopman zijn bedrijf uitoefent en die dient om zijn onderneming van die van anderen te onderscheiden. Het merk dient ter onderscheiding van de waren van de eene onderneming van die van de andere. Het merk kan echter bestaan uit den handelsnaam of een gedeelte daarvan ofwel den handelsnaam bevatten, zoodat op eenzelfde „onderscheidend kenmerk", zoowel een handelsnaamrecht als een merkrecht mogelijk is. Het merk kan voorts bekend worden door en zijn waarde ontleenen aan eigenschappen van de onder dit merk in den handel gebrachte artikelen en in de practijk tot een soort waarborg worden voor eigenschappen of hoedanigheden daarvan; hetzelfde geldt mutatis mutandis voor den handelsnaam.

*) Dresselhuys, „Eenige beschouwingen naar aanleiding van de wet op de handels- en fabrieksmerken," Acad. Prft. 1893, blz. 23. Vgl. ook Sandreuter, „Rechtliche Natur, Entstehung und Endigung des Markenrechts" 1932 (besproken in Pr. Ind., September 1932, blz. 168), die de blijkbaar nog steeds aanvaarde meening, dat het merkrecht een persoonlijk recht zou zijn, bestrijdt. Mogelijkheid van overdracht, alsmede de economische waarde van het merk, verzetten zich hiertegen. Het merk is een „Immaterialgüterrecht", een v ermogensrecht

Sluiten