Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ving1). De constitutieve inschrijving, waardoor een recht in het leven wordt geroepen, grijpt derhalve dieper in het rechtsleven in dan de declaratieve inschrijving, die slechts een bestaand recht versterkt. Hieruit volgt, dat men bij de constitutieve inschrijving veel omzichtiger te werk moet gaan en dat er daarbij veel grooter zekerheid moet bestaan (absolute zekerheid kan redelijkerwijze natuurlijk niet worden verlangd), dat geen rechten van anderen worden geschonden. Hier is dus vóór de inschrijving een onderzoek vereischt zoowel ten aanzien van den uiterlijken vorm (d.w.z. of het ter inschrijving ingezonden onderscheidingsteeken een merk is in den zin der wet) en van de te verrichten formaliteiten — te samen vormende het formeele onderzoek — als ten aanzien van de innerlijke waarde (het materieele onderzoek), o.a. wat betreft de vraag of een merk, geheel of in hoofdzaak overeenstemmende met het ingezondene, niet reeds ingeschreven is. Bij het zuiver declaratieve stelsel zou men met een formeel onderzoek kunnen volstaan.

Stelsel in In onze Merkenwet van 1880 heeft men aan de inschrij-

Nederland. vjng constitutieve kracht toegekend. Het wekt geen bevreemding, dat juist dit stelsel werd gekozen, omdat men bij de destijds op het gebied der merken heerschende rechteloosheid (blz. 29), natuurlijk vóór alles op rechtszekerheid bedacht was en rechtszekerheid gaf het toen aanvaarde

stelsel ten volle. , ,,

Zooals Hijman echter in zijn hierboven reeds aangehaald artikel aantoont (t.a.pl., blz. 491), heeft men vermoedelijk niet direct geheel en al overzien, wat het constitutieve stelsel eigenlijk inhield; dit blijkt o.a. uit het feit, dat men reeds in 1893 van koers veranderde door in de nieuwe wet van dat jaar aan de inschrijving slechts declaratieve kracht toe te kennen. In de Kamer werd dit verdedigd met het argument, dat in vrijwel alle landen, aangesloten bij de inmiddels (1883) tot stand gekomen Internationale Conventie (blz. 9), waartoe ook Nederland was toegetreden,

l) Hij man (R.M. 1926, blz. 491) omschrijft het verschil tusschen de beide stelsels aldus, dat bij het declaratieve stelsel een prae-existeerend recht aanwezig is, dat aanspraak geeft op inschrijving en dat — althans gedurende een z<* periode — sterker is dan de inschrijving, terwijl in hetconstitutieve st.else een prae-existeerend recht voor de inschrijving indifferent is en blytt, vgl. ook Elster, t.a.pl., blz. 387 vlg.

Sluiten