Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het declaratieve stelsel als basis der merkenbescherming gold en dat het dus wenschelijk was ook voor onze merkenbescherming denzelfden grondslag aan te nemen. Volgens Hij man ziet het eruit alsof de wetgever eenigszins heeft willen verbloemen, dat men in 1880 een verkeerde keuze had gedaan. Immers het constitutieve stelsel was in de practijk gebleken te weinig soepel te zijn en te weinig te voldoen aan de bestaande behoeften1).

Toen men nu het declaratieve stelsel in 1893 aanvaardde, moest men beginnen met het van elders bestaande recht, waarop de declaratieve inschrijving zou moeten berusten, te scheppen.

In Frankrijk kende men „la propriété de la marqué", afgezien van eenige wetsbepaling: „a défaut de dépot la propriété de la marqué entre dans le droit commun et a droit a la protection de 1'article 1382 C.C." 2). Het was niet de wet, die deze „propriété" in het leven riep. Men had dit recht rechtstreeks uit het gemeenerecht op grond van de in Frankrijk algemeen heerschende opvatting, dat wat het merk betreft, „celui qui le premier s'en empare se 1'approprie légitimement et peut en interdire Pusage aux autres" 3).

Ook in Duitschland erkende men het merkrecht, zonder dat dit speciaal door de wet werd verleend.

Ten onzent is men echter in het algemeen afkeerig van subjectieve rechten buiten de wet om (blz. 29), zoodat een eigenlijk merkrecht niet bestond. Daardoor was de toestand bij ons geheel anders dan b.v. in Frankrijk, waar men slechts een bestaand recht behoefde te regelen.

Men begon ten onzent dan ook terecht met in art. 3 het merkrecht te erkennen; hierin ligt de groote beteekenis van de Merkenwet: bij eventueel misbruik van zijn merk door anderen kan men zich sindsdien op een recht beroepen. Dit is het van elders bestaande recht,waarop de inschrijving berust4).

Welke rechtsgevolgen zijn nu aan de inschrijving verbonden ?

Het eenige rechtsgevolg, dat de wet noemt, is . . . het vermoeden van eerste gebruik (art. 3, lid 2).

Reeds bij de behandeling van het ontwerp voor deze wet

') Vgl. Dresselhuys t.a.pl., blz. 39 vlg.

J) Pouillet, t.a.pl., blz. 139.

3) Pouillet, t.a.pl., blz. 107.

4) Polak, t.a.pl., blz. 165.

Sluiten