Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het practische nut van de weigeringsbevoegdheid zal dan ook wel niemand ontkennen x). Terecht is aan het Merkenbureau geen weigeringsplicht opgelegd. Dit zou een te groote verantwoordelijkheid zijn.

Aan het Openbaar Ministerie is de bevoegdheid gegeven om binnen het tijdsverloop van art. 10 lid i op grond van strijd met art. 4 lid 3 nietigverklaring van de inschrijving te vorderen, terwijl belanghebbenden daarnaast voor hun eigen belangen hebben te waken.

Weige- De in art. 9 genoemde weigeringsgronden zijn volgens den

ringsgron- Hoogen Raad limitatief2); weigering zou dus slechts mogeden' lijk zijn op grond van overeenstemming geheel of in hoofd¬

zaak met een ingeschreven of vroeger ingezonden merk of op grond van strijd met art. 4 lid 3. De juistheid van deze uitspraak wordt door Drucker3) in twijfel getrokken, al geeft hij toe, dat dit standpunt gemakkelijk te motiveeren is met een beroep op art. 5 lid 1. Toch lijkt Drucker s opvatting de juiste. Immers het merk moet ingevolge en overeenkomstig art. 4 ingezonden zijn (art. 9 j° art. 5) en het zal dus ook aan de verdere vereischten van art. 4 moeten voldoen. Bovendien zal het ingezonden onderscheidingsteeken een merk moeten zijn in den zin der wet. Meermalen is dan ook door het Merkenbureau inschrijving van een merk geweigerd b.v. op grond van gemis aan onderscheidend vermogen; op het verzoek van belanghebbenden aan de Haagsche Rechtbank om alsnog de inschrijving van dat merk te bevelen, werd herhaaldelijk afwijzend beschikt. 4).

Ook Hij man is van meening, dat bij het vooronderzoek volgens de bepalingen der Merkenwet alle merken geweerd kunnen worden, welke niet in het register thuis behooren, dus alle merken, die afgezien van het bepaalde in art. 9 op

i) Het toetsingsrecht van het Merkenbureau moet uiteraard onvolledig zijn, daar bij ons declaratieve stelsel, waarin het niet-ingeschreven merk slechts weinig minder bescherming geniet dan het ingeschrevene, slechts een deel der in den handel zijnde merken inderdaad is ingeschreven.

') H. R. 17 Mei 1912 W. 9359.

3) T. a. pl., blz. 88. _ ^ , c

4) Rb. 's-Gravenhage 21 April 1926 en Hof's-Gravenhage 11 October 192b I.E. 1026, blz. 27 en 28 („Motorspirit" als merk voor benzine mist onderscheidend vermogen, omdat dit woord als benaming beschouwd moet worden); Cass. verworpen H.R. 27 December 1926 I.E. 1926, blz. 31; Rb s-Gravenhage 30 October 1929 I.E. 1930, blz. 24; op grond van te vage aanduiding der waren id. 21 Januari 1918 I.E. 1918, blz. 87.

Sluiten